“Natuurlijk werd er van ons verwacht – in die tijd bestonden er nog zogeheten umístěnky (verplichte plaatsingen) – dat we ons op de een of andere manier zouden inschakelen in de machinerie van het socialistische bouwwezen. En ik denk dat ik geluk heb gehad dat wij tot een generatie behoorden die al aan het einde van die harde periode stond. Er waren mensen die tien jaar ouder waren dan wij en die er tot over hun oren in terechtkwamen en zich daar maar moeizaam weer uit wisten los te maken. Wij kwamen er al in op een moment dat het regime, vlak voor 1968, begon te wankelen en waarin plots veel meer mogelijk was. Het lag daardoor ook enigszins aan onszelf wat we uit dat aanbod haalden: waar we terechtkwamen, bij welk bureau we gingen werken, en hoe onze loopbaan zich ontwikkelde. Officieel lag het natuurlijk allemaal vast: dat we naar de Stavoprojekty zouden gaan, ons aan de normen zouden onderwerpen, enzovoort. Maar omdat de periode waarin wij de praktijk instroomden de eerste helft van de jaren zestig was, was de wereld inmiddels al in beweging gekomen. Het eerste naoorlogse tijdvak liep ten einde – een periode waarin overal, niet alleen in Tsjechië maar ook in Rusland, Frankrijk en Duitsland, massaal werd gebouwd om mensen überhaupt onderdak te bieden. Dat stadium was grotendeels afgesloten en er begonnen nieuwe ideeën te ontstaan over hoe steden anders opgebouwd konden worden. Men begon zich te realiseren dat het urbanisme van Le Corbusier waarschijnlijk niet het juiste antwoord was, dat steden op een andere manier bekeken en ontworpen moesten worden. Kortom: alles kwam opnieuw in beweging. En wij hadden als generatie het geluk dat we precies op dat moment, aan het begin van onze carrière, deel konden worden van die beweging.”
“Natuurlijk kan ik twee dingen niet overslaan. Het eerste is dat je je na het derde jaar architectuurstudie al een ‘geniaal architect’ voelt. Dat wilden we toen ook met een paar vrienden delen, en zo hebben we – het is moeilijk uit te leggen waarom – een groep opgericht die Včelka heette (Bijtje). We waren met z’n vieren en dachten dat we in staat waren om op de een of andere manier te reageren op wat we uit de wereld oppikten: losse flarden, indrukken die van overal kwamen, en waarvan wij dachten dat we er interessante architectuur van konden maken. Van de oorspronkelijke vier leden telt de groep Včelka er vandaag nog twee, dus we naderen langzaam de eindfase van Včelka. Maar het heeft het lang volgehouden, dat moet ik zeggen. Dat is dus het ene wat nog duidelijk met de studie te maken had. Het tweede was de ervaring van Majáles (een traditionele studentenvoorjaarsviering in Tsjechoslowakije, die in de jaren zestig ook een uitgesproken maatschappijkritisch en politiek karakter kreeg, red.) 1967. Zoals ik al zei: in die tijd begon het regime al een beetje te wankelen. Wij waren begonnen begin jaren zestig, toen er nog nauwelijks beweging in zat, en ik studeerde af in 1966, toen het al duidelijk aan het schuiven was – laat staan in 1967. In dat jaar studeerde mijn toenmalige vriendin, later mijn vrouw, af, en toen nam ik deel aan de Majáles-optocht door Praag. Ik steunde een kandidaat die František Sedláček heette, ook afkomstig van de faculteit architectuur – een ongelooflijk figuur. De verkiezing eindigde in het zogeheten ‘Park van ontspanning van Julda Fulda’ (het park van Julius Fučík, een groot cultureel en recreatiepark in Praag, genoemd naar een communistische verzetsheld en in de jaren zestig een belangrijk toneel voor massabijeenkomsten en officiële evenementen, red.), zoals het toen heette. Daar nam Franta Sedláček het op tegen Allen Ginsberg (de beatdichter, red). Ginsberg won, omdat hij natuurlijk iets belichaamde wat Sedláček onmogelijk kon vertegenwoordigen. Maar Franta had een veel sterkere slotrede – en vooral een veel subversievere. En juist daarom werd hij daarna van de universiteit gestuurd.”
“Daarvóór gebeurde er iets heel belangrijks. Dankzij Franta Sedláček, die gewoon een handige kerel was, kreeg ik als student een stage in Nederland van zes weken. Hoewel ik al afgestudeerd was, viel het nog steeds op de een of andere manier binnen die studentenwereld. Die stage was opmerkelijk genoeg bedoeld voor landmeters — voor architecten had men niets, hij had daar een beetje in onderhandeld. En zo ging ik erheen als landmeter, omdat wij ook landmeetkundige praktijk hadden gehad, dus ik wist hoe je een theodoliet opstelt en dergelijke. Het was een stage in Zuidelijk Flevoland. Dat was een nieuwe polder, waar landmeters uiteraard hard nodig waren, want er was veel riet, hier en daar een waterhoen, een beetje water, weinig wegen en nauwelijks bebouwing. Landmeters hadden daar dus volop werk en wij maten en zetten de nieuwe wegen uit. Voor mij was het vooral interessant omdat ik Nederland voor het eerst van dichtbij meemaakte. Toen ik erheen vertrok, wist ik eigenlijk bijna niets van Nederland. Ik kende een paar bekende namen, maar concreet wist ik nauwelijks iets. Ik ging erheen omdat ik toen — na die Duitse delegatie — opnieuw verliefd was geworden… en ik dacht dat ik dichter bij dat meisje zou zijn als ik niet in Tsjechië bleef. Dus vertrok ik naar Nederland als landmeter. Dat ik daar kennismaakte met wat ik de Nederlandse essentie zou noemen, illustreer ik graag met een anekdote die dat volgens mij goed typeert. De stage liep via IAST, de Internationale Associatie voor de Uitwisseling van Studenten aan Technische Hogescholen. En er waren in Nederland veel meer van die studenten dan alleen ik. In het weekend maakten we gezamenlijke uitstappen. Een van die uitstappen bracht ons naar een aangrenzende polder, de laatste die nog een stuk van de voormalige binnenzee afsnoepte. Die was nog niet voltooid, zat nog in de voorbereidingsfase, en men liet ons zien hoe zo’n polder eigenlijk ontstaat: een systeem van dijken, waarin pompstations zijn ingebouwd. Geleidelijk — zodra zowel de dijken als de pompstations voltooid zijn — vormt dat een gesloten ring rond het toekomstige land. Daarna wordt het water weggepompt. En die pompen blijven functioneel: telkens wanneer het regent, moet het water weer worden afgevoerd. Dat was op zichzelf al indrukwekkend, maar het meest indrukwekkende was de manier waarop die dijken werden gebouwd.”
“Die dijken werden toen nog echt op een ouderwetse manier aangelegd. Dat betekende dat graafmachines in feite een enorme hoop zand opspoten, soms wel tachtig kilometer lang. Die tachtig kilometer werd vervolgens verstevigd door op het zand rieten matten te leggen, die ter plekke werden gevlochten. Op die matten legde men bakstenen, zodat het geheel verzwaard maar tegelijk elastisch bleef. De bovenste laag bestond uit basaltblokken, meestal afkomstig uit Tsjechië, waarmee die opgeworpen massa werd afgesloten. Daarna liet men er schapen overheen lopen, die de voegen tussen de basaltblokken aandrukten, zodat de hele dijkmassa stevig én flexibel werd. Die stenen beschermden het geheel van buitenaf tegen ijs en tegen alles wat er verder maar op af kon komen. De matten zorgden voor elasticiteit en het zand had simpelweg geen kant meer om naartoe te gaan. En stel je dan voor dat wij aankwamen bij de mannen die die rieten matten aan het vlechten waren. Zij hadden al dertig kilometer achter de rug en nog vijftig kilometer te gaan. En toen dacht ik: dit zou geen enkele Tsjech doen. Een Tsjech zou hiervandaan weglopen, ergens op een heuveltje gaan zitten en kijken hoe ongelooflijk vlak alles hier is. Dat was werkelijk iets onvoorstelbaars. En hoe overtuigd ze waren dat dit gewoon moest gebeuren, dat ze het zouden afmaken, en dat er over anderhalf jaar nieuwe Nederlanders zouden wonen — dat ze hier leefruimte zouden krijgen. Dat maakte een enorme indruk op me. Voor het eerst realiseerde ik me echt het verschil tussen die volkeren. Ik heb ook bewondering voor de Tsjechen, maar niet om hun geduld en niet om zo’n verbeten volharding. Tsjechen zijn meer van ideeën, van af en toe iets slims, een grapje hier en daar. Maar op deze manier je land letterlijk overeind houden, zodat het water niet je huis binnenstroomt — dat is indrukwekkend. Dat hoort bij die eerste stage. Daarna sla ik een periode over, maar tijdens die stage besloot ik dat ik in Nederland graag een architectuurstage wilde doen — niet als landmeter, maar als architect. Ik heb rondgekeken bij alles wat er toen gebeurde. In Nederland gebeurde er in die tijd enorm veel. In Amsterdam had je Provo — tegenwoordig zou je ze misschien piraten noemen. Die Provo’s provoceerden die ietwat gezapige, burgerlijke Nederlandse samenleving met ongelooflijke happenings. En tegelijkertijd gebeurde er in de architectuur ontzettend veel interessants. Er waren figuren als Aldo van Eyck, Bakema en Herman Hertzberger, namen die tot op de dag van vandaag nog nagalmen. Maar toen stonden zij op het hoogtepunt van hun kunnen en kwamen ze bijna elk jaar met een interessant gebouw. Er was dus niet alleen veel te zien, maar ook veel te leren. Tijdens die eerste landmetersstage is het me gelukt om een van die bekende mensen te vinden — in dit geval Jaap Bakema — en hem een brief te ontfutselen waarin stond dat ik over een jaar of twee bij hem zou mogen werken. Dat was niet eenvoudig, maar uiteindelijk is het me gelukt om hem te vinden en te verrassen. Hij gaf les aan de Technische Universiteit in Delft, dus ik ben hem daar persoonlijk gaan opzoeken. Ik had een rugzak op met de tekst ‘Czech student’ erop, ik liftte overal. En in een half verwilderde toestand vond ik die professor. Hij keek me aan en zei: ‘Heb je eigenlijk wel geld om weer thuis te komen?’ En ik zei heldhaftig: ‘Ja hoor, natuurlijk,’ terwijl ik zo’n honderdvijftig gulden had. Ik weigerde zijn financiële steun.En hij zei: ‘Een brief, dat is geen probleem. We hebben hier al zoveel buitenlanders gehad — maar een Tsjech nog nooit.’ En hij schreef die brief. En met die brief vertrok ik bijzonder gelukkig naar huis. Ik had het gevoel dat ik mijn start had geregeld, mijn carrière.”
“Daarna werkte ik in Praag, kort na het afronden van mijn studie. Ik werkte in een van die toen nieuw opgerichte ateliers, het Sdružení projektových ateliérů (Samenwerkingsverband van ontwerpateliers), waar onder anderen Prager, Machonin, Šrámek, Fülzak en Klen bij betrokken waren. Eerst namen ze me aan, en daarna besloten ze onderling dat ik zou overstappen naar Klen. Zo kwam ik hier om de hoek terecht, in de Žitná-straat, bij architect Klen, die zich bezighield met woningbouw, de voorbereiding van de wijk Bohnice en later ook met het ontwerp van Jižní Město. Kortom: het standaardpakket aan architectonische opdrachten van die tijd.
Ik heb tegen Klen gezegd: ‘Maar ik heb een brief, en zodra het moment daar is, stop ik hier en vertrek ik.’ En hij zei: ‘Geweldig, pak je spullen en zodra het kan…’
Het duurde ongeveer een jaar voordat in Nederland de sterren als het ware goed stonden en meneer Bakema zich meldde en zei dat, als ik die brief had, ik dus welkom was zodra ik zou aankomen. Uiteindelijk viel alles samen en vertrok ik in februari 1968. In februari 1968 — dat was ongeveer drie weken nadat Novotný was afgetreden en Dubček aan de macht was gekomen. Maar alle papieren die natuurlijk nodig waren om dat vertrek te regelen, waren nog onder het oude regime afgehandeld. Ja, daar heeft Jiří Klam, mijn toenmalige chef, me enorm bij geholpen. Dankzij hem kreeg ik officieel toestemming voor een eenjarige stage in Rotterdam. En daarmee kom ik dan bij het hoofdstuk Nederland.”
“Mijn eerste reactie was… toevallig was Martin Rajniš bij mij op bezoek, ook een van die studievrienden. Ik herinner me dat moment nog heel precies: ’s ochtends, toen we het nieuws hoorden – ergens rond zes uur – zijn we op de fiets gestapt en naar het kantoor gefietst. En ik dacht bij mezelf: Nou, dit is gewoon oorlog. Oorlog had ik nog nooit meegemaakt, maar dit was oorlog. En wat doe je eigenlijk tijdens een oorlog? Het eerste wat in me opkwam, was dat we – zodra we op kantoor aankwamen – begonnen met het organiseren van een soort bijeenkomst van Tsjechen die zich op dat moment in Nederland bevonden. Om die ervaring samen te delen en om hulp te organiseren, en noem maar op. Op een gegeven moment kwam er ook de Nederlandse radio bij kijken en ik heb op de radio het telefoonnummer van het kantoor genoemd. Binnen ongeveer twee minuten was de telefooncentrale van het bureau volledig overbelast – door telefoontjes van Tsjechen die door Nederland zwierven, maar ook van Nederlanders die met de Tsjechen meeleefden. Toen kwam de oudere leidinggevenden van het bureau naar me toe en zei: ‘Zavřel, wat heb je nou gedaan? Wat denk je wel? Wij zijn geen protestorganisatie.’
Ik kreeg daar flink op mijn kop voor, maar vrijwel onmiddellijk daarna kwam de hulp op gang. Alle tekenaars op kantoor en mensen uit de omgeving begonnen me te helpen bij het organiseren van een bijeenkomst die een dag of twee later zou plaatsvinden – met als doel onderdak aan te bieden, hulp te verlenen, winterkleding te verzamelen, kortom alles wat een mens op zo’n moment kan bedenken. Die bijeenkomst is er ook gekomen. Ze vond plaats in Rotterdam, in de Ahoy-hal. Er waren meer dan driehonderd Tsjechen aanwezig. De Nederlandse televisie zond het uit. Het was een spontane uitbarsting van energie, maar tegelijkertijd ook een indrukwekkend gebaar van solidariteit van de andere kant. In Nederland was er zelfs een moment van ongeveer een half uur waarin auto’s met gedoofde lichten reden – het verkeer kwam letterlijk tot stilstand. Dat was een enorm teken van medeleven. Ook mijn leidinggevenden leefden sterk met me mee, ze hielpen waar ze maar konden.”
Professor Zdeněk Zavřel werd in 1943 geboren in een Praagse familie uit Dejvice, twee jaar voor het einde van de Tweede Wereldoorlog. Al in zijn vroege jeugd bracht een familieband hem naar de streek onder de Ještěd, meer bepaald naar het kleine dorpje Zdislava, waar hij voor het eerst in 1951 kwam toen hij zijn vader vergezelde naar een bijeenkomst van Praagse beeldend kunstenaars. Daarna bracht de familie Zavřel er regelmatig de vakanties door. Na het eindexamen begon hij aan de studie architectuur aan de ČVUT (Tsjechische Technische Universiteit in Praag), waar hij in 1966 afstudeerde. In 1967 genoot hij niet alleen van de sfeer van de Praagse Lente, maar ook van de universitaire majáles, en in diezelfde periode kreeg ook zijn persoonlijke relatie met zijn latere echtgenote vorm. Samen vertrokken zij in februari 1968 voor een studieverblijf architectuur naar het Nederlandse Rotterdam, waardoor hij de gebeurtenissen van augustus 1968 in Nederland meemaakte, in de Rotterdamse Ahoy Hall. Nadat eind 1969 de geldigheid van alle Tsjechoslowaakse paspoorten afliep, werden zij gedwongen een beslissing te nemen: emigreren of terugkeren. Zij kozen voor het laatste. Kort daarna trad Zavřel in dienst bij het pas opgerichte SIAL in Liberec (Sdružení inženýrů a architektů Liberec), dat onder leiding van Karel Hubáček op dat moment onder meer werkte aan de bouw van de beroemde televisie- en uitkijktoren op de Ještěd. In de regio Liberec bracht Zavřel vrijwel de gehele genormaliseerde jaren zeventig door; in die periode werden ook zijn twee kinderen geboren. Toen hij echter een notarieel bekrachtigde uitnodiging ontving voor de bruiloft van een vriend in Nederland, deed zich een zeldzame kans tot emigratie voor. Meer dan tien jaar na de Sovjetbezetting maakte Zavřel daar samen met zijn gezin gebruik van en emigreerde hij met zijn kinderen van drie en acht jaar oud naar Nederland. Na zijn vertrek werd hij bij verstek veroordeeld wegens illegaal verlaten van de republiek en tot confiscatie van al zijn bezittingen. In Rotterdam sloot hij opnieuw aan bij de architectenpraktijk, in het kantoor van Jaap Bakema, van wie hij tijdens zijn eerste verblijf in Nederland al een uitnodigingsbrief had gekregen. Na de Fluwelen Revolutie keerde hij op oudejaarsavond 1989 voor het eerst sinds zijn emigratie terug naar Tsjechoslowakije. Vanaf dat moment volgden de architectonische successen elkaar snel op: Zavřel won onder meer de prijsvraag voor het nieuwe Tsjechisch Centrum in Parijs en voor de bouw van de ambassade van Tsjechië in Ghana. Op een dag bood een buurman uit de regio Liberec hem een heuvel boven Zdislava te koop aan, en juist daar verwezenlijkte professor Zavřel kort na de millenniumwisseling zijn architectonische droom: een eigen woonhuis. In 2006, nadat het project van de ambassade in Ghana was afgerond, wilde hij zijn bureau aan iemand anders overdragen. Toen hij geen geschikte opvolger vond, besloot hij het kantoor over te dragen aan zijn medewerkers. In diezelfde periode kreeg hij het aanbod om deel te nemen aan de decaansverkiezingen van de Faculteit Architectuur van de ČVUT. Met zijn programma “Het omdraaien van de olifant” – bedoeld als het eenvoudig en efficiënt aanpakken van complexe zaken – was hij succesvol, en in 2009 werd hij benoemd tot professor. Hij is ervan overtuigd dat we in het leven slechts vijf à zes echte momenten van beslissing hebben. Voor hem zijn dat tot nu toe: de keuze van een beroep, de keuze van een partner, een breuk met een partner en de keuze van een plek om te leven. Volgens eigen zeggen rest hem nog slechts één beslissing: waar hij begraven wil worden – een keuze die hij voorlopig met succes blijft uitstellen. Met het uitzicht op de heuvels vanuit zijn huis in Zdislava is dat alleszins begrijpelijk.