Irena Králová

* 1968

  • “Ik kwam aan in Amsterdam en dacht bij mezelf: ‘Nou, ik ben hier nu. Ik kan nog teruggaan, maar dat zal ik waarschijnlijk niet meer redden.’ Dus stond ik daar even te kijken, rond te hangen, te staren naar die mooie treinen, helemaal overdonderd dat ik daar stond, op dat grote, mooie station, met die prachtige treinen en die glimlachende mensen. En opeens was het vier uur. Toen zei ik tegen mezelf: ‘Nou, en ik ga nooit meer terug.’” “Ik zocht een politieagent om te melden dat ik hier wilde blijven. Ik vond een meneer in een blauw uniform, maar het bleek de stationsbeveiliging te zijn. Hij stuurde me naar het centrum van Amsterdam, naar het politiebureau in die drukke wijk. Tot dat moment had ik genoten van hoe mooi Nederland was. Hij gaf me een plattegrond, was erg vriendelijk en wees me de weg.”

  • “Wanneer had u voor het eerst weer contact met uw ouders?” “Mijn moeder kreeg toestemming om mij te bezoeken, zo’n soort overredingsbezoek. En toen ze kwam, had ze papieren bij zich: als ik die zou ondertekenen en met haar mee terug zou gaan, zou ik maar twee jaar krijgen en dan zou alles zogenaamd goed komen. Dus vroeg ik haar: ‘Mama, meen je serieus dat ik met je mee terugga en dat jij me dan in de gevangenis stopt?’ En zij zei: ‘Nou ja, het zijn maar twee jaar, je bent zó weer vrij…’ Op dat moment kwam het restje fatsoen in mij omhoog. Ik dacht dat mijn moeder nog enigszins normaal was, maar dit raakte me echt diep en het kookte vanbinnen. Ik zei tegen haar: ‘Mama, kom alsjeblieft niet meer hierheen. Ik ga nooit meer terug naar Tsjechië.’”

  • “Mijn ouders lieten mij op de basisschool met volleybal beginnen, en dat heb ik in het begin echt gehaat. Want je moest daar steeds van alles, er werd voortdurend tegen je geschreeuwd, je smakte telkens op de grond, mijn knieën waren altijd kapot – ik vond het vreselijk. Gaandeweg veranderde mijn mening: ik begon te voelen dat volleybal mij kon bevrijden, dat ik er iets mee kon bereiken en dat het avontuurlijk en interessant kon zijn. In elke fase van mijn leven gebeurde er wel iets, er sloeg iets om, en ineens vond ik het leuk – en dan ging ik er volledig voor.” “Waarom kozen uw ouders juist voor volleybal?” “Mijn ouders vonden basketbal en handbal te harde, te ruwe sporten, te veel lijf-aan-lijf-werk, en ze wilden niet dat ik steeds vol blauwe plekken zou rondlopen – maar toch liep ik bont en blauw. Ze wilden dat er een net tussen ons en de tegenstander zou zitten. Dus werd het volleybal. Maar we moesten nog steeds keihard op de grond duiken, ook al lagen er matten. Alleen waren dat van die harde, leren matten, dus ik zat alsnog helemaal onder de blauwe plekken en bulten.”

  • “U bent in augustus 1988 gevlucht en een jaar en een paar maanden later was het al november 1989. Hoe heeft u dat beleefd? Heeft u overwogen om terug te keren?” — “Nee, ik heb dat eigenlijk niet intens meegemaakt. Ik gunde het de Tsjechen van harte dat ze eindelijk zouden inzien wat er aan de hand was en vrij zouden worden, maar dat was zo ongeveer alles. Alle Nederlanders lieten me wel zien wat er allemaal in Tsjechoslowakije gebeurde, maar ik had mijn eigen zorgen: ik moest de taal leren, ik wilde geen uitkering, dus ging ik afwassen, huizen schoonmaken, overhemden strijken, en daarnaast studeerde ik en speelde ik volleybal. Er waren dus genoeg zorgen. Ik probeerde mezelf bezig te houden, zodat ik niet op domme gedachten kwam, zoals teruggaan. Maar nadat mijn moeder mij had bezocht, wist ik dat ik nooit meer zou terugkeren. Ik wist dat als ik daarheen zou gaan en ze erachter zouden komen, ik vijf jaar de gevangenis in zou moeten. Dat houdt je wel tegen. Maar ik kon wél andere landen bezoeken. Dat vond ik beter. Ook al miste ik sommige dingen.”

  • “Ik heb het gevoel dat hij, omdat hij mij niet meer aankon, zijn frustraties op ons afreageerde door ons met een riem te slaan. We kregen vaak een pak slaag, zonder enige terughoudendheid, en dat doet je mentaal natuurlijk geen goed. Wanneer je met slechte schoolresultaten thuiskwam, was dat meteen een probleem. Terwijl mijn vader, die als arbeider weliswaar de avonduniversiteit van het marxisme-leninisme (de VUML) had afgerond, ik later toevallig zijn eigen schoolresultaten vond toen ik wat papieren aan het opruimen was. Hij verweet ons onze mindere schoolresultaten, terwijl hij zelf nog slechtere had. Hij slaagde maar net, zodat de communisten konden afvinken dat er weer een ‘volksrechter’ gekozen was. Ik herinner me vaag hoe dat toen ging, maar ik weet nog dat ze het belangrijk vonden om een jonge, zogenaamd talentvolle persoon vooruit te schuiven. Dus hij kwam met zulke slechte resultaten net door de selectie – en hij sloeg ons. Vooral mijn broer kreeg hard slaag, en dat vond ik oneerlijk. Daarom ving ik vaak de klappen voor hem op, zodat we niet zo bont en blauw waren.”

  • “Hebben uw ouders officieel afstand van u gedaan?” – “Ja. Later kreeg ik de mogelijkheid om in de archieven te kijken. Ik begreep niet waarom ik veroordeeld was en zo verder, dus kon ik de dossiers inkijken. Alles verliep namelijk zonder mij, in mijn afwezigheid. Uit de dossiers kwam ik te weten dat mijn ouders, om hun carrière te behouden, zich van mij hadden afgekeerd. Mijn moeder was hoofd van de afdeling voor personeelsbeleid en bovendien rechter bij het gerechtshof. Mijn vader was rechter en ook jurist op het ministerie van algemene machinebouw, en ik denk dat hij uit was op een hogere positie. Om die functies niet te verliezen, moesten ze iets doen. Vooral omdat twee dochters gevlucht waren. Voor hen was het dus het eenvoudigst om zich van ons te distantiëren. Het was behoorlijk pijnlijk om dat document te lezen.” “Heeft u het ergens bewaard?” “Ik heb zelfs geen kopie in handen gekregen, het ligt ergens in de archieven. Het was pijnlijk. Later heb ik mijn moeder ernaar gevraagd en zij zei dat ze ertoe gedwongen waren. Dus ik weet niet wat de waarheid is.”

  • “Bij elke buitenlandse trip gingen er altijd twaalf speelsters mee. De bus zat dus helemaal vol. Stel je voor: er zijn zesenveertig stoelen daarvan zaten er twaalf speelsters, twee trainers, één dokter, en de overige stoelen waren bezet door politiefunctionarissen die de opdracht hadden… Zij gingen mee als het ware op vakantie, maar hun taak was ook om ons in de gaten te houden. En wij moesten altijd een rapport bijhouden: met wie we gesproken hadden, waarover, wie we benaderd hadden, waar we waren, enzovoort. Elke keer als we terugkwamen. Het was ons dus verboden om met buitenlanders te praten.”

  • “Ik had mijn route al uitgestippeld. Ik had de brief op de verpakking van het maandverband geschreven en die in een boek verstopt, omdat ik wist dat ze al mijn spullen volledig zouden doorzoeken. Dus schreef ik: 'Zoek me niet. Mijn vriend is me komen ophalen. Ik ga niet terug naar huis, naar Tsjechoslowakije. Bedankt. Groeten, Irča.' Hier ergens, tussen die foto’s en documenten, heb ik een foto van die brief die later in Nederland in de krant is verschenen.” “Waar bent u naartoe gegaan, ging u naar een hotel of een pension?” “Nee, ik stapte uit in Amsterdam en ik keek steeds maar… de hele tijd keek ik op mijn horloge – het is nog geen vier uur, ik kan nog terug, ik kan nog terug. Vijf voor vier, dat weet ik nog tot op de dag van vandaag, vijf voor vier zei ik tegen mezelf: ‘Ik kan nog terug.’ En toen stapte ik al uit in Amsterdam, toen kon ik al niet meer terug. Toen was het vier uur, en toen zei ik tegen mezelf: nu keer ik in mijn hele leven niet meer terug en nu moet ik alleen nog maar vooruitkijken.”

  • “Mijn vader sprak niet met mij en was ontzettend woedend; hij liet zijn frustratie op mij bot, bijna alsof hij mij echt iets wilde aandoen vanwege het feit dat ik zijn kans om door te stoten naar de hoogste rechterlijke functie had verpest. Mijn moeder had een paar bevoegdheden verloren, dus zij was ook niet blij met mij… Maar een jaar later mocht ze naar Nederland komen om te proberen mij over te halen terug te keren. Als ik terug was gegaan, zou ik vijf jaar gevangenis hebben gekregen. Zo legde mijn moeder het uit: als ik terugging en mijn straf zou uitzitten, alleen omdat ik ervoor had gekozen in een ander land te wonen, zou alles voor hen gewist zijn en zou mijn vader zijn carrière kunnen voortzetten. Ik zeg het met moeite. Uiteindelijk deden mijn ouders iets anders. Mijn moeder kwam naar mij toe, maakte er een mooi weekje vakantie in Nederland van, en daarna namen ze een definitieve beslissing: ze hebben officieel afstand van mij gedaan. Ze verklaarden dat ze geen dochter hadden, en daarmee redden ze hun carrières.”

  • Celé nahrávky
  • 1

    U pamětnice doma, Praha 6, 06.12.2016

    (audio)
    délka: 55:09
    nahrávka pořízena v rámci projektu The Stories of Our Neigbours
  • 2

    Praha Eye Direct, 22.08.2017

    (audio)
    délka: 01:46:07
    nahrávka pořízena v rámci projektu Tipsport for Legends
  • 3

    Praha, 20.09.2017

    (audio)
    délka: 01:18:10
    nahrávka pořízena v rámci projektu Tipsport for Legends
Celé nahrávky jsou k dispozici pouze pro přihlášené uživatele.

Ik keer nooit meer terug en vanaf nu moet ik alleen nog maar vooruitkijken

Irena Králová
Irena Králová
zdroj: archiv pamětníka

Irena Králová, geboren als Machovčáková, werd op 13 november 1968 in Praag geboren in een familie van juristen. Ze groeide op met een oudere zus en een jongere broer. Volleybal speelde altijd een grote rol in haar leven en dat doet het nog steeds; haar ouders hebben haar naar deze sport geleid. Vanaf haar twaalfde speelde ze bij Rudá Hvězda Praag, dat haar als groot talent had uitgekozen. Gaandeweg werkte ze zich op naar het nationale team. In 1988 besloot ze te emigreren en verliet ze het nationale team tijdens een vriendschappelijke wedstrijd in Nederland. Haar ouders hebben afstand van haar gedaan om hun carrière te redden. Al snel werd ze opgenomen in het Nederlandse nationale team, waarmee ze in 1991 zilver won op het Europees kampioenschap en in 1995 goud. Ze nam deel aan de Olympische Spelen in Barcelona en Atlanta. In 2011 beëindigde ze haar sportcarrière en keerde samen met haar man terug naar Tsjechië. Ze woont in Praag, heeft twee kinderen gekregen en speelt nog steeds volleybal.