“Een gevoel van opluchting bij veel vrienden, dat een lange nachtmerrie ten einde kwam, en vooral optimisme. In elk geval in die eerste drie, vier jaar. Ikzelf was er niet direct na de revolutie bij; ik ben in oktober 1990 begonnen, bijna een jaar na de revolutie. De mensen die ik kende, en die meestal tot de tweede academische garnituur behoorden omdat ze geen partijlidmaatschapsboekje hadden, werden plotseling het eerste garnituur. De mensen die tijdens de normalisatie de plaatsen hadden ingenomen van degenen die om welke reden dan ook ‘fout’ waren – zoals professor Macháček, die later stoker werd of magazijnmedewerker in een bibliotheek – die generatie kwam aan de macht. Dat waren mensen met het juiste politieke profiel, vaak ook politiek ambitieus. Ze namen die functies aan omdat ze er een goede positie voor terugkregen. Ze waren ongeveer dertig tot vijfendertig jaar oud aan het begin van de jaren zeventig. En bijna dertig jaar later waren diezelfde mensen vrijwel gepensioneerd. Zo gingen al die hogere functionarissen, hetzij vervroegd, hetzij regulier met pensioen, want de pensioenleeftijd lag toen op zestig jaar – voor vrouwen nog verminderd met het aantal kinderen. En degenen die destijds waren weggestuurd en actief waren gebleven in de ondergrondse universiteiten, werden de nieuwe leiders. Of mensen die er wel waren gebleven en het feitelijke werk deden – zoals Vašek Bok in České Budějovice, Jana Nechutová in Brno, Karel Müller bij het archief van het Silezisch Museum – die werden ineens leidinggevenden. Ik kende als jonge man plotseling mensen in het academisch bestuur, en dat maakte mijn professionele vooruitgang mogelijk. Misschien een onverdiend gelukje, maar aan de andere kant had ik nog contacten uit de tijd daarvoor. Het was voelbaar dat men zich stortte op de opbouw van een normale samenleving. De jaren 1994 en 1995 waren in elk geval prachtige jaren, waar ik met veel plezier aan terugdenk, en ik ben ontzettend blij dat ik dat hier heb mogen meemaken. Het was gewoon enorm veel positieve energie.”
“We kwamen uit Brno. Tegenwoordig doet de trein daar anderhalf uur over, maar toen was het een enkel spoor. Op ons wachtte de vader van een vriend, de muzikant Pavel Čtvrtlík, die na 1968 was gevlucht en in de Filharmonie van Utrecht speelde. Toen hij hoorde dat we zouden gaan, gaf hij ons cadeautjes mee voor zijn vader, die hij niet kon zien omdat hij het land ‘onrechtmatig’ had verlaten. We logeerden in Hodolany. We hadden een foto bij ons om elkaar te herkennen. De volgende dag gingen we de stad in. We liepen over de Leninlaan, tegenwoordig Masarykova. Brede stoep. Opeens trok meneer Čtvrtlík ons abrupt naar de andere stoep. Het was meteen duidelijk waarom. Er kwam een groep Sovjetsoldaten aan, over de hele breedte van de stoep, drie rijen dik, dronken, met bier. Ze gedroegen zich als de heren van de stad. Pas later kwam ik erachter dat hier een garnizoen van ongeveer twintigduizend soldaten was. Heel Neředín bestond uit Sovjetkazernes, een stadje in de stad. Zij hadden het vliegveld, met hun helikopters. Het was een bende. Ze gedroegen zich als bezetters. Nog iets anders was dat je iets voelde wat we daarvoor en daarna nooit meer zo hebben gevoeld: angst in de stad. Als een wattenlaag die boven de stad hing. Het is moeilijk te beschrijven. In de atmosfeer hing iets wat daar niet thuishoorde. In Olomouc was alles grijs, verwaarloosd. Vergeleken met Brno was het een schok. Mijn grootmoeder had altijd verteld hoe mooi Olomouc was, maar zij was al in 1928 vertrokken. In Praag was het ook weer een heel andere ervaring. Vanuit dat perspectief was Olomouc een teleurstelling. Pas na 1989 is de stad steeds mooier geworden en wordt er veel gerenoveerd.”
“In 1985 moest ik een visum aanvragen en verplicht Tsjechoslowaakse kronen kopen. Er kwam een aantekening bij en zo. Het visum was een papiertje waarop je moest invullen waar je ouders waren geboren en welke nationaliteit je grootouders hadden. Thuis hebben we daar toen behoorlijk over nagedacht. En volgens de waarheid hebben we ingevuld dat mijn vader in Santiago de Chile was geboren en mijn moeder in Jakarta, dus Batavia. Maar dat zou de Tsjechoslowaakse ambtenaren niets hebben gezegd. En omdat we bij de grootouders niet konden invullen waar zij geboren waren, heb ik overal ‘Nederlander’ ingevuld. Ze hadden allemaal de Nederlandse nationaliteit, dus dat was ook gewoon de waarheid. Als ik had ingevuld dat ze in de Tsjechische landen van de monarchie of in Tsjechoslowakije waren geboren, had ik dat visum nooit gekregen. Thuis zeiden vrienden die Oost-Europese studies deden: Tsjechoslowakije – reken erop dat je overal gecontroleerd wordt en dat je je overal moet melden. We maakten een rondreis van tien dagen en we verplaatsten ons minstens vijf keer, en telkens moesten we ons melden bij de vreemdelingenpolitie. De eerste melding was bij de politie in Uherské Hradiště. Een oudere mevrouw Škůlová ging met ons mee. Ze deed dat niet graag, maar ze deed het toch. We konden de politie niet vinden: het gebouw was in verbouwing, vlak bij hotel Grand. Uiteindelijk vonden we de politie in een tijdelijk gebouw. Daar zat een kolonel in een lichtgroen uniform, een beetje gevlekt, met een buik. Een typemachine, een petje op tafel, een grijze telefoon. Hij nam de papieren aan. Die kolonel sprak netjes Duits. Hij keek ons aan en vroeg of we binnen die tien dagen Tsjechoslowakije weer zouden verlaten. Wij moesten natuurlijk terug voor onze studie. We vroegen of we ons dan overal bij de politie moesten melden. Hij zei: laten we eens kijken… Hij pakte een stempel – paf – stempelde. Daarna pakte hij de telefoon en begon rond te bellen. Ik verstond hem niet, hij sprak Tsjechisch. Draaien – paf, draaien – paf, draaien – paf. Al onze papieren waren afgestempeld. En toen zei hij: ‘Veel succes in Tsjechoslowakije, en zorg dat u op tijd weg bent, want anders heb ík een probleem. Tot ziens.’”
“Moeilijk om te zeggen. Dat heeft te maken met een gezondheidskwestie. Ik heb toen ik 14 jaar oud was een vrij ernstig ongeluk gehad op mijn fiets. Ben niet echt geschept, maar door een auto aangereden en daardoor hoor ik redelijk slecht. Maar ik ben bijna dood geweest, laat ik het zo zeggen. Ze hebben mij opgelapt en het is allemaal goed gegaan. Ik kan normaal functioneren, maar dus het gevolg is dat de herinneringen daarvoor, dat ze heel erg vaag zijn. Mijn jeugd - reizen met mijn ouders, mijn vader als tolk. Hij tolkte heel veel voor de christelijke vakbonden. Dat betekent dat hij regelmatig naar vakbond bijeenkomsten in Genève, Parijs, Rome, Straatsburg, Luxemburg, Brussel moest gaan... En hij kreeg meestal eerste klas trein vergoed en als groot gezin kregen we vrij forse korting op de spoorwegen, dus één keer in de zo veel jaar, nam hij zijn gezin mee, dus dan rijst hij goedkoper. Wij hadden dan. Hij had het dan goed. Ja, met de trein. En hij had dan had recht op een bepaalde klasse hotel, maar hij reserveert dan een wat goedkoop hotel, maar hij kon dus dan ons meenemen. En ik denk dat de eerste reis die ik me herinnerd, moet ik een jaar of 7, 8 geweest, 8 denk ik geweest, naar Staatsburg geweest. Hij moest tolken en hij kende daar genealogen en we werden op een gegeven moment uitgenodigd bij een hoogleraar thuis met andere genealogen. Ik sprak uiteraard geen Frans. Mijn vader sprak vloeiend Frans, mijn moeder sprak geen Frans beeld is allemaal uitgenodigd en mijn zus was niet mee. Ik denk dat die geparkeerd was bij familie thuis. Maar mijn jongste, mijn broer naar mij was mee, dus ik 8 jaar. Hij is 6 jaar. En we komen dus in het appartement, moet je voorstellen. Zo’n ja Frans huis, appartement gebouw, appartement met, in mijn herinneringen 6 of 8 kamers, allemaal zeker 20, 30 m². Er staat dus in hun eetzaal, dat was het, staat hele grote tafel klaar. En op een gegeven moment staan op de tafel schalen met kaviaar. Mijn broer Berend ontdekt de kaviaar- rare, zwarte bolletjes die hij niet kende. Vraagt of hij het mag proeven. De kelner kent uiteraard geen Nederlands. Hij sprak geen Frans, maar begreep wat hij wilde. Hij mag proeven. Hij heeft dus twee of drie schalen kaviaar opgevuld totdat mijn vader zei dat hij dat niet mocht doen. De Fransen vond het heel grappig, dus dat is één van de herinneringen, één van de herinneringen die ik heb, één van de vroegste herinneringen.”
“Het wapen is bedacht door mijn overgrootvader. Hij werd minister van Justitie in Indonesië en had dus een wapen nodig, zonder te weten dat er al een wapen bestond. Hij heeft toen een vriend gevraagd om een zogenaamd sprekend wapen te ontwerpen. Dus die engel is natuurlijk Engel, recht – het recht, dat is het zwaard. En die streep heet in het Nederlands een breuklijn, dus een B. Het is dus een sprekend wapen, typisch Nederlands.”
“Ik heb, zoals je weet, een nogal ingewikkelde familieachtergrond. Mijn grootvader van vaderskant was Nederlander. Hij was een jonge diplomaat die verliefd werd op de dochter van een Oostenrijks-Hongaarse collega in Hamburg. Ze zijn getrouwd, en op die manier heb ik adellijke familieleden van alle nationaliteiten die in de monarchie voorkwamen. Dus ik heb Tsjechische, Slowaakse, Oostenrijkse, Hongaarse, Kroatische, Poolse, Bukovinische – dat is zo’n gemengd Roemeens-Oekraïens-Hongaars gebied in het oosten –, Roemeense, Italiaanse en Sloveense familieleden. Kortom, een echte mengelmoes. Mijn grootvader van moederskant kwam uit een typische Moravische familie, dus Duits-Tsjechisch. Mijn grootmoeder sprak Tsjechisch en kwam uit een typische boerenfamilie. Mijn grootvader, hun tweede zoon, zag in Brno een affiche waarop het Nederlandse consulaat ingenieurs zocht voor de koloniën, omdat de zogenaamde ethische politiek was begonnen. In dat kader werd er geïnvesteerd in de infrastructuur van het huidige Indonesië, toen nog Nederlands-Indië. De Nederlanders hadden niet genoeg ingenieurs, of ze wilden niet naar de koloniën gaan tenzij ze daar een heel hoge functie kregen. Daarom werden mensen geworven in Duitsland, Tsjechoslowakije en Hongarije. Hij herinnerde zich dat de man van de oudere zus van een voormalige leerlinge, aan wie hij wiskunde bijles had gegeven, Nederlands consul was. Hij schreef hem een brief en werd samen met nog vijf Tsjechische vrienden aangenomen. Ze kregen een opleiding in Delft en ergens in januari 1924 vertrokken ze per schip naar Indonesië. Een Europese ambtenaar kon ofwel elk jaar een paar weken vakantie in Indonesië nemen, ofwel vijf jaar onafgebroken werken en daarna een jaar betaald verlof in Europa krijgen. Mijn grootvader koos voor die tweede mogelijkheid. Hij reisde terug naar Tsjechoslowakije en zocht dat meisje op. Mijn overgrootmoeder wilde natuurlijk dat zij met een edelman zou trouwen, maar dat wilde zij niet. En mijn grootvader heeft haar echt een heel jaar lang het hof gemaakt – hij heeft haar, zoals dat heet, ‘gevrijd’. En uiteindelijk zei zij: ‘Mam, ik ga met die Schmid trouwen.’ Mijn overgrootmoeder was daar niet blij mee, en dat was ook te zien aan de plek waar ze zijn getrouwd. Ze zijn niet in Bílovice bij Uherské Hradiště getrouwd, maar in Brno, in de parochiekerk waar mijn grootvader naartoe ging, bij het klooster van Staré Brno. Mijn vrouw en ik zijn daar trouwens ook getrouwd. Het is er mooi en we kwamen er vaak, dus waarom niet. Ze vertrokken samen naar Indonesië en kregen drie kinderen, van wie de oudste mijn moeder was.”
“Neerlandistiek is, zoals je weet, een klein vak en het zal ook nooit een echt groot vak worden, want zoveel Nederlandse bedrijven zijn er ook weer niet in Tsjechië. Dus als je voldoende studenten wilt hebben, moeten de studenten na hun studie wat kunnen doen. Dus je moet echt ervoor zorgen dat de mensen ook een praktische opleiding krijgen. Dus van begin af aan heb ik geprobeerd om ervoor te zorgen dat er ook een mogelijkheid was om te tolken en te vertalen. Ik heb heel erg slechte oren, wat voor tolken niet ideaal is. Maar ik heb gelukkig ondertussen mensen die bij mij gestudeerd hebben als Pavlína Knap-Dlouhá die zich echt gespecialiseerd hebben in tolken en het is ons gelukt om het eerste tolk lokaal hier bij de faculteit in Olomouc, toen nog op de eerste verdieping van Křížkovského 10, op te bouwen. En toen op een gegeven moment in 2013 toen alle gebouwen gerenoveerd werden, heeft de faculteit een nieuw lokaal gemaakt hier in het gebouw en zijn meer vakken opgericht. Ook Engels heeft een eigen lokaal. Frans heeft een eigen lokaal, dus een veel mensen die bezig zijn met tolken en vertalen. Met andere woorden dan hebben de studenten de mogelijkheid om in cabines en dergelijke echt dat althans als het ware echt te leren, wat heel belangrijk is. En ik denk dat toch de meeste afgestudeerden iets met vertalen of tolken of management voor bedrijven of organisaties doen, maar als je genoeg studenten hebt, zijn er altijd ook wel studenten die verder wel op de wetenschappelijke weg. En dat begint nu echt. We hebben dus echt doctoraatsprogramma al sinds 2017. Er is de eerste student die echt ons programma heeft gehad. Die zal op 12 september van dit jaar zijn diploma krijgen hier op de faculteit, dus dat is wel heel erg leuk. Dat is de Vlaming Jan Fabry. Maar hij is ondertussen terug in Brussel. Dus dat was opbouwen van het vak. Dan is het heel belangrijk dat zo een klein vak gevoelig voor bezuinigingen is. Als er bezuinigd moet worden, vallen de kleintjes als eerste af. Dat is mijn ervaring. Als student valt de klassieke filologie – dat was weliswaar de grootste klassieke filologie - begonnen we met zo’n veertig eerstejaars, maar er waren nog vijf andere klassieke filologie. En op het moment dat er bezuinigd moest worden, had onze klassieke filologie geen hoogleraar, omdat hij net met pensioen was, dus de anderen hebben daar gebruik van gemaakt om Utrecht weg te bezuinigen en de anderen hadden lucht want één grote vakgroep viel weg. Dus even de dingen die je moet doen is om samen te werken met liefst sterkere vakgroepen op faculteit om ervoor te zorgen dat het wegbezuinigen van dat kleintjes zoveel mogelijk pijn doet.”
“Toen ik op gegeven moment weer naar Olomouc ging voor het handschrift kreeg ik het verzoek of ik in Olomouc ook Nederlands wilde geven. Dus dan gaf ik op een gegeven moment Latijn in Brno, Latijn en Nederlands in Bratislava en Nederlands in Olomouc. Dat was om juni 1991. En in september 1991 moest ik eigenlijk beginnen als intern doctorandus met een beurs van het ministerie in Amsterdam. Eind Juni 1991 komt een delegatie van een paar dames uit Bratislava naar Olomouc op bezoek om afscheid te nemen. Daar hadden zij een goede bedoeling mee want ze wilde mij vragen of ik niet bereid was om neerlandistiek in die twee plekken op te bouwen? Ik heb de dames verteld: “Sorry, maar ik ben geen neerlandicus en ik moet beginnen met mijn doctoraat”. Ja, maar dan heb ik gevraagd waarom? Ja, we hebben dat Nederlands gehad in het verleden. God, oké, ik zal er nog eens over denken. Goed, thuis bediscussieerd. Mijn vader: kan niet, jij hebt die promotiebeurs. Je gaat in Amsterdam over vier jaar ben je dokter. Mijn moeder: ik zie een prachtige baan als docent klassieke talen in Oldenzaal. Een volledige job. En op die periode was het zo dat heel veel werklozen waren in alle talen, dus andere dus zij dachten heel praktisch van: eerst is goed verdienen, dan kun je eventueel nog promoveren. Eventueel naast je werk, dan zie je wel verder. Goed, en toen heb ik toch wel gedacht van ja, hoe vaak in je leven krijg je het aanbod om niet op één plek, op twee plekken een lectoraat op te bouwen?"
Wilken Willem Karel Hugo Engelbrecht werd op 19 september 1962 geboren in Utrecht, Nederland. Na zijn middelbare schoolopleiding koos hij voor de studie klassieke filologie aan de Rijksuniversiteit Utrecht, waar hij in 1986 het pedagogisch certificaat behaalde voor het onderwijs aan middelbare scholen. Vervolgens zette hij zijn studie voort aan de Universiteit van Amsterdam, waar hij in 1988 afstudeerde in de Griekse en Latijnse taal en cultuur. Aan het einde van de jaren tachtig profileerde hij zich als mediëvist met een sterke belangstelling voor de handschriftentraditie. In het kader van zijn eigen onderzoeksplannen reisde hij intensief door Europa om middeleeuwse manuscripten in bibliotheken te bestuderen; in die periode bezocht hij ook Olomouc, nog vóór de val van het IJzeren Gordijn. In 1990 breidde hij zijn kwalificatie uit met een bevoegdheid voor het onderwijs van het Nederlands als vreemde taal. In het najaar van datzelfde jaar kwam hij via een beursverblijf naar het toenmalige Tsjechoslowakije, waar hij aan verschillende universiteiten ging werken en geleidelijk het onderwijs in het Nederlands en het Latijn op zich nam. In de jaren 1991–1994 was hij betrokken bij het herstel en de opbouw van de lectoraten Nederlands in Bratislava en Olomouc. Op 30 november 1992 verkreeg hij een permanente verblijfsvergunning in Tsjechoslowakije en in 1993 trad hij in het huwelijk. Zijn gezinsleven verankerde hem definitief in Tsjechië, waar hij twee zonen opvoedde, geboren in 1997 en 2006. Sinds oktober 1995 is hij langdurig verbonden aan de Palacký-universiteit in Olomouc, aanvankelijk als universitair docent Nederlands en later als sleutelfiguur binnen de plaatselijke neerlandistiek. Sinds 1 september 2003 staat hij aan het hoofd van deze academische afdeling; daarnaast was hij in de jaren 2006–2010 vice-decaan voor internationale betrekkingen van de Faculteit der Letteren van de Palacký-universiteit. Zijn doctoraatsstudie rondde hij op 18 juni 2003 af aan de Universiteit Utrecht in de mediëvistiek; op 21 mei 2005 habiliteerde hij zich aan de Palacký-universiteit in het vakgebied literatuurtheorie. In 1995 was hij medeoprichter van de Centraal-Europese vereniging van neerlandici Comenius en hij zet zich langdurig in voor regionale samenwerking binnen het vakgebied. In 2012 werd hij voor zijn levenslange verdiensten onderscheiden als Officier in de Orde van Oranje-Nassau, een onderscheiding die hij uit handen van de Nederlandse ambassadeur ontving. Professor Engelbrecht heeft de Tsjechische (en bredere Centraal-Europese) neerlandistiek institutioneel verankerd, vele generaties afgestudeerden opgeleid en erin weten te slagen de academische studie te verbinden met de praktijk van vertalen en tolken. Tegelijkertijd wijst hij er openlijk op dat het om een klein en kwetsbaar vakgebied gaat, dat slechts kan overleven dankzij samenwerking binnen de faculteit en doordat het studenten vaardigheden biedt die ook buiten de universiteit inzetbaar zijn.