Následující text není historickou studií. Jedná se o převyprávění pamětníkových životních osudů na základě jeho vzpomínek zaznamenaných v rozhovoru. Vyprávění zpracovali externí spolupracovníci Paměti národa. V některých případech jsou při zpracování medailonu využity materiály zpřístupněné Archivem bezpečnostních složek (ABS), Státními okresními archivy (SOA), Národním archivem (NA), či jinými institucemi. Užíváme je pouze jako doplněk pamětníkova svědectví. Citované strany svazků jsou uloženy v sekci Dodatečné materiály.
Pokud máte k textu připomínky nebo jej chcete doplnit, kontaktujte prosím šéfredaktora Paměti národa. (michal.smid@ustrcr.cz)
Za některé hodnoty je třeba bojovat, riskovat i něco obětovat
narodil se 28. ledna 1964 v Nizozemsku
po maturitě na církevním gymnáziu roku 1982 začal studovat teologii v Utrechtu
zapojil se do aktivit teoložky Hebe Kohlbrugge a převážel tajnou korespondenci disidentům v Československu
v letech 1986–1986 studoval na Komenského evangelické bohoslovecké fakultě v Praze
setkával se s organizátory bytových seminářů a faráři bez státního souhlasu
na jaře 1987 tajně převezl rukopis církevního zpěvníku Nová píseň
v letech 1987–1990 studoval slavistiku se zaměřením na češtinu v Nizozemsku
účastnil se demonstrací v Praze v listopadu 1989
od roku 1993 působil na Evangelické teologické fakultě (ETF) a trvale žil v Praze
Česká verze příběhu se nachází pod nizozemštinou:
Het levensverhaal van Peter Morée, theoloog en pedagoog die in de jaren tachtig naar Tsjechoslowakije kwam om er te studeren, begon in Nederland. Daar bracht hij zijn jeugd door in een omgeving die werd gekenmerkt door een conservatief-protestants geloof en door familie-waarden waarin onderwijs een centrale plaats innam. Een kleurrijkere wereld, die afweek van het kader dat door kerkelijke dogma’s werd bepaald, leerde hij kennen na zijn komst naar de universiteit in Utrecht. Werkelijk nieuwe horizonten openden zich echter pas tijdens zijn studieperiode in Praag. Uiteindelijk schoot hij daar wortel en vond hij zowel persoonlijke als professionele verankering.
Peter Morée werd geboren op 28 januari 1964 in Nederland, in het dorp Nieuw-Beijerland, dat ongeveer twintig kilometer van Rotterdam ligt, in een gebied van eilanden en rivieren. Zijn moeder, Lijnie Moree-Kranenburg, was de oudste van negen kinderen. Zij had alleen lager onderwijs gevolgd en werkte na haar huwelijk met Peters vader nooit buitenshuis; zij bleef huisvrouw. Zijn vader, Leen Morée (geboren in 1932), was eveneens afkomstig uit Nieuw-Beijerland. Als eerste in zijn familie behaalde hij een middelbareschooldiploma en werkte hij voor het oliebedrijf Shell in Rotterdam. De ouders trouwden in 1959. Peter had een oudere broer, Conna, een jongere broer, Johan, en een zus, Elsbeth. In het gezin werd groot belang gehecht aan onderwijs.
De leefwereld waarin Peter Morée opgroeide, was sterk agrarisch bepaald, mede dankzij de vruchtbare streek waarin het gezin woonde. Tijdens de Tweede Wereldoorlog, die in Nederland begon op 10 mei 1940, trokken inwoners van Rotterdam in de periode van de zogenoemde Hongerwinter van 1944 naar omliggende dorpen om voedsel te bemachtigen en zo het tekort in de stad te verlichten. Deze ervaring had zo’n diepe indruk gemaakt op Peters moeder dat zij ook in vredestijd gewend bleef om voorraden aan te leggen voor het geval van dreigend gevaar.
Zowel zijn ouders als zijn grootouders van beide kanten waren protestanten die behoorden tot een vrij strikte calvinistische stroming. De grootvader van moederszijde runde een kleine boerderij en was een streng, maar praktisch ingesteld man. De grootvader van vaderszijde was tijdens de oorlog huisslachter en metselaar, maar hij overleed toen Peter acht jaar oud was. Peter herinnert zich diens begrafenis in de kerk als zijn eerste confrontatie met de dood.
Zijn jeugd werd sterk beïnvloed door religieuze regels en, op bepaalde terreinen van het leven, ook door dogmatisme. Op zondag werd niet gewerkt; de dag stond vooral in het teken van formele familiebezoeken aan de grootouders en, bovenal, van kerkbezoek — er waren drie kerken in het dorp. Vier keer per jaar werd in hun gemeente het avondmaal gevierd, maar slechts door ongeveer twintig mensen, aangezien de predikant strenge toelatingseisen hanteerde. Peters ouders namen hieraan deel, maar hijzelf zegt dat hij aan deze vorm van geloof geen warme herinneringen bewaart. Zijn vader speelde bovendien orgel in de kerk, en wanneer de predikant afwezig was, werden lange preken voorgelezen.
De relatie van Peters ouders tot de strikte kerkelijke regels werd door twee ingrijpende momenten bepaald. “Het eerste moment waarop mijn ouders beseften dat ze voorzichtiger en toleranter met religie moesten omgaan, was toen ik zes jaar oud was en mijn jongere broer kinderverlamming kreeg. Vaccinaties bestonden natuurlijk al, maar in die kringen werd — en deels wordt dat tot op de dag van vandaag — gezegd dat je je niet moet laten vaccineren, omdat God ons beschermt, en dat ziekte, als die zich voordoet, Gods wil is. Er waren herhaaldelijk uitbraken van kinderverlamming, en toen mijn broer vier jaar oud was, werd hij getroffen.”
“Het eerste gevolg was dat hij niet meer kon lopen, hij raakte verlamd,” herinnert Peter Morée zich. Deze ervaring bracht zijn ouders ertoe hun standpunt te herzien en hun kinderen alsnog te laten vaccineren. Daarmee riepen zij echter afwijzing op bij het strengste deel van de gemeente.
Een tweede moment waarop zij hun volledige toewijding aan de kerk moesten heroverwegen, deed zich voor toen de oudste zoon het kerkelijke gymnasium wilde verlaten om naar een landbouwschool te gaan. Uiteindelijk accepteerden de ouders deze beslissing, omdat zij inzagen dat ook de eigen keuzes van hun kinderen getolereerd konden worden.
Peter Morée ging al vanaf zijn vierde naar de kleuterschool en bezocht daarna zes jaar de basisschool. Vervolgens studeerde hij, net als de meeste van zijn dorpsgenoten, nog eens zes jaar aan een gymnasium in Rotterdam, dat behoorde tot de scholen die waren opgericht voor conservatief-protestantse kringen. Hij legde dagelijks een afstand van twintig kilometer af om er te komen — bij mooi weer zelfs per fiets.
Een bijzondere ervaring voor hem was een schoolreis naar België in het tweede jaar van het gymnasium. “We gingen een week op excursie en dat was belangrijk voor me. Ik werd er hopeloos verliefd op een meisje. Brugge is prachtig, en in Gent zag ik een schitterende katholieke kerk. Bovendien komt daar een Vlaamse dichter vandaan, en toen we een presentatie over hem maakten, ontdekte ik de muziek van César Franck,” vertelt hij over de betekenis van deze reis.
Tijdens zijn gymnasiumopleiding begon Peter Morée zich te interesseren voor internationale politiek, in het bijzonder voor het Midden-Oosten en Oost-Europa. In de jaren tachtig nam hij deel aan grootschalige vredesdemonstraties tegen de plaatsing van Amerikaanse Pershing-raketten. Zijn rechts georiënteerde en conservatieve ouders begrepen dit engagement niet en keurden het af. Een belangrijk keerpunt vormde ook een bezoek aan Oost-Berlijn in het vijfde jaar van het gymnasium, zijn eerste directe confrontatie met de wereld achter het IJzeren Gordijn. De stad en haar bewoners kwamen op hem grijs en totaal anders over. Voor het eerst kreeg hij zo een inkijk in de realiteit van een totalitair regime. “Ik wilde begrijpen waarom dit gebeurde, wat erachter zat — niet alleen hoe het zich aan de buitenkant voordeed,” verklaart hij waarom dit bezoek ook voor zijn latere leven van doorslaggevend belang was.
Na het eindexamen in 1982 overwoog hij aanvankelijk een studie economie of geschiedenis. Pas aan het einde van zijn gymnasiumtijd bracht een vriend, die zelf theologie wilde gaan studeren, hem op het idee om zich in dit vakgebied te verdiepen. Peter Morée schreef zich vervolgens in aan de universiteit van Utrecht. Hij hoopte daar antwoorden te vinden op vragen die hem bezighielden. Volgens hem had het conservatieve geloofsbegrip twee kanten. “Er was een grote mate van zekerheid. Ik heb nooit serieus de mogelijkheid overwogen om niet te geloven of niet bij de kerk te horen — dat was simpelweg geen optie. Die zekerheid heeft misschien een positief effect op de ontwikkeling en het zelfvertrouwen. Het negatieve is natuurlijk dat er voor mij pas na mijn achttiende, toen ik begon te studeren, een wereld openging die ik helemaal niet kende. Plotseling moest ik me verhouden tot het feit dat de wereld veel kleurrijker was dan ik me tot dan toe had voorgesteld. Dat fascineerde me enorm, maar juist daarin schuilde ook het probleem,” legt Morée de grenzen van het strikte protestantse geloof uit.
Tijdens zijn universitaire studie kwam hij in contact met mensen die banden hadden met Oost-Europa en raakte hij betrokken bij de activiteiten van Hebe Kohlbrugge, protestants theologe en lid van het Nederlandse verzet. Zij onderhield sinds de jaren zestig contacten met Tsjechoslowaakse evangelische kringen, met name met Josef Lukl Hromádka en Jaroslav Ondra, destijds binnen het kader van de Christelijke Vredesconferentie (CVK). Kohlbrugge fungeerde als verbindende figuur tussen verschillende groepen die vooral na 1968 dissidenten en kerkleden in Tsjechoslowakije ondersteunden. “De bezetting van 1968 veroorzaakte ook in Nederland een diepe crisis binnen de linkse politiek en werd gezien als een volstrekt onrecht,” voegt Peter Morée daaraan toe.
Hebe Kohlbrugge hield zich met name bezig met het aanleveren van informatie en studiemateriaal voor illegale huiskamerseminars en organiseerde ook bezoeken van buitenlandse persoonlijkheden aan deze bijeenkomsten in de appartementen van Tsjechoslowaakse dissidenten. Een deel van deze activiteiten financierde zij zelf. “Ze had mensen die instonden voor het transport en het onderhouden van contacten met de dissidenten — daar hoorde ik bij — en anderen die verantwoordelijk waren voor de huiskamerseminars. Dat was strikt gescheiden. Ze reisden als toeristen; soms wist iemand alleen dat hij op een bepaald tijdstip zijn garage moest openen, zodat zij naar binnen konden rijden zonder gezien te worden,” legt Morée uit hoe de hulp georganiseerd was. Zelf kreeg hij de taak contacten te onderhouden met kerkelijke en dissidente netwerken en geheime correspondentie over de grens te vervoeren. Tegelijkertijd bood Kohlbrugge hem een studiejaar aan in Praag, aan de toenmalige Comenius Evangelische Theologische Faculteit.
In die periode had Peter Morée al drie studiejaren aan de theologische faculteit in Nederland achter de rug en moest hij zijn ouders nog zien te overtuigen. “Zij waren nooit echt op reis geweest en waren bang dat achter het IJzeren Gordijn meteen Siberië en de Goelag begon. Ze beschouwden het als extreem gevaarlijk,” voegt hij eraan toe. Begin oktober 1986 arriveerde hij alleen, met één koffer, per trein in Praag en betrok hij een kamer in het Hus-theologisch seminarie in de Jircháře. Hij maakte al snel kennis met het informele studentenleven, dat hij als bevrijdend en inspirerend ervoer. Hij ontmoette sleutelfiguren uit het Tsjechische evangelische dissidentenmilieu en uit de zogenoemde ‘grijze zone’, onder wie de chartist Pavel Hlaváč in Proseč en Pavel Kalus in Prosetín.
Onder de docenten maakte vooral kerkhistoricus Amedeo Molnár diepe indruk op hem. Deze inspireerde hem tot zijn latere academische loopbaan en zijn focus op de Tsjechische Reformatie. Van groot belang was ook zijn contact met culturele kringen, bijvoorbeeld met Jonatan Tomeš, die hem inwijdde in de wereld van de oude muziek. Tegelijkertijd werkten aan de faculteit ook docenten die niet alleen het normalisatieregime ondersteunden, zoals Jaroslav Ondra of Milan Opočenský, maar van wie sommigen bovendien samenwerkten met de Staatsveiligheid (StB). “Het ergste was dat zij hun samenwerking met het regime theologisch probeerden te rechtvaardigen,” merkt Morée hierover op.
Zijn verblijf in Praag was voor Peter Morée bijzonder verrijkend, vooral dankzij de ontmoetingen buiten het officiële onderwijs, en vormde een beslissend keerpunt in zijn leven. Hij kwam tot het inzicht dat impulsen voor vrije discussie en theologische verdieping eerder voortkwamen uit contacten met medestudenten en predikanten die met intrekking van hun staatsgoedkeuring werden bedreigd, dan uit officiële instellingen zoals de staat, het faculteitsbestuur of de officiële kerkelijke vertegenwoordigers van die tijd. Na afloop van zijn studiejaar voelde hij weinig verlangen om terug te keren naar Nederland.
Grote indruk maakte ook het verhaal van twee Nederlandse bekenden die in Tsjechoslowakije waren gearresteerd wegens het smokkelen van samizdat en verboden boeken. Zij werden veroordeeld en brachten ongeveer twee maanden in de gevangenis door, waarna zij onder druk van de Nederlandse regering werden vrijgelaten. “Die dimensie van innerlijke vrijheid sprak mij enorm aan. Ja, er zijn risico’s, maar het is het waard — we willen ergens voor strijden,” legt hij uit.
In het voorjaar van 1987 kreeg hij de opdracht het manuscript van een nieuwe kerkelijke liedbundel, samengesteld door Jan Keller, een evangelische predikant uit Jimramov, naar Nederland te brengen om daar gedrukt te worden. Hij verborg het manuscript in zijn handbagage; zelfs bij een grondige controle door de douane in Cheb werd het niet ontdekt. In Nederland kreeg de bundel, op voorstel van Peter Morée, de titel Nová píseň (Nieuw lied). De gedrukte exemplaren werden later door andere medewerkers terug naar Tsjechoslowakije gesmokkeld, vaak met behulp van caravans met een dubbele bodem.
Na zijn terugkeer in Nederland merkte Peter Morée dat zijn vroegere leven daar hem niet langer vervulde. Omdat hij inmiddels Tsjechisch had geleerd, reisde hij in de eerste twee à drie jaar na 1987 zeer frequent naar Tsjechoslowakije, ongeveer vijf keer per jaar. Hij onderhield contacten met theologen en organisatoren van huiskamerseminars, met name met Ladislav Hejdánek en Jakub Schwarz Trojan.
Tussen 1987 en 1990 studeerde Peter Morée theologie en slavistiek, met een specialisatie in het Tsjechisch, aan de universiteiten van Utrecht en Amsterdam. Tegelijkertijd raakte hij betrokken bij het Nederlandse mensenrechteninitiatief Informatie over Charta 77, waarvoor hij dankzij zijn taalkennis teksten vertaalde voor een tijdschrift dat berichtte over de situatie in Tsjechoslowakije.
In november 1989, tijdens de Fluwelen Revolutie in Praag, verbleef Morée in Utrecht. Samen met zijn vriendin Jana Šilhanová besloot hij naar Praag te reizen; zij arriveerden daar op 23 november 1989. Hij nam deel aan de demonstraties op het Wenceslasplein en op de Letná-vlakte en beschouwt vooral het gezamenlijke gebed van Václav Malý tijdens de massabijeenkomst op Letná als een intense en onvergetelijke ervaring.
In het voorjaar van 1990 rondde hij zijn masteropleiding af en besloot hij terug te keren naar Tsjechoslowakije om de veranderingen na de democratische omwenteling van nabij te volgen. Intussen hield hij zich bezig met Tsjechische kerkgeschiedenis en bereidde hij zijn promotieonderzoek voor. In het kader van zijn dissertatie over Milíč van Kroměříž studeerde hij in de jaren 1990–1991 hulpwetenschappen van de geschiedenis aan de Faculteit der Wijsbegeerte van de Karelsuniversiteit. Vervolgens keerde hij voor twee jaar terug naar Nederland om zijn kerkelijke opleiding en vicariaat af te ronden, met het oog op een eventuele loopbaan als predikant — een weg die hij uiteindelijk niet insloeg.
In oktober 1993 verhuisde hij definitief naar Praag, op uitnodiging van de toenmalige decaan van de Evangelische Theologische Faculteit (ETF), Jakub Schwarz Trojan. Zijn proefschrift verdedigde hij in 1998 in Amsterdam. Aanvankelijk richtte hij zich in zijn academisch werk op de middeleeuwen, maar later verlegde hij — op initiatief van decaan Martin Prudký — zijn aandacht naar de moderne geschiedenis, in het bijzonder de communistische periode. Mede speelde hierbij een rol dat hij als iemand van buiten de Tsjechische context met meer afstand en vrijheid naar interne belangen en conflicten binnen de faculteit kon kijken.
Samen met Pavel Hlaváč en anderen hield hij zich bezig met het in kaart brengen van de geschiedenis van de Evangelische Kerk van de Boheemse Broeders (ČCE) in de jaren 1948–1989, onder meer in de bundels Cesta církve,[1] en met de analyse van de houding van de voormalige Duitse Evangelische Kerk in Tsjechoslowakije ten opzichte van het nationaalsocialisme. Een centrale figuur in zijn onderzoek werd Josef Lukl Hromádka, wiens politieke engagement en linkse accenten hij bestudeerde in de context van het Tsjechische protestantisme en de pogingen van de kerk om onder het regime te overleven. Peter Morée benadrukt daarbij dat “wij onszelf in Tsjechië via de geschiedenis verklaren; geschiedenis leeft hier en helpt de nationale identiteit te bepalen”.
De verhoudingen aan de faculteit na 1990 stonden in het teken van de toetreding van voormalige dissidenten tot leidinggevende functies, mensen die vóór 1989 door het regime waren onderdrukt. Volgens Morée heeft, ondanks de uitgesproken intentie van decaan Jakub Trojan om een dialoog te voeren tussen docenten die tijdens de normalisatie aanbleven en nieuwkomers, nooit een echte catharsis plaatsgevonden. Het ontbreken van een openlijke, expliciete afrekening met het verleden heeft er volgens hem toe geleid dat de faculteit zich tot op heden onvoldoende met haar eigen geschiedenis en aanpassing aan het regime heeft verzoend.
Peter Morée was tevens medeoprichter van de burgerrechtenorganisatie Institut Pontes, die zich sinds het einde van de jaren negentig inzet voor de ondersteuning van onafhankelijke, met name kerkelijke initiatieven op Cuba. Zijn mensenrechtenactiviteiten ziet hij als een voortzetting van de inspiratie die hij ontleende aan het Tsjechische evangelische milieu van de jaren tachtig — een omgeving die hem leerde dat, zoals hij het aan het einde van zijn verhaal voor Paměť národa[2]formuleert: “voor sommige waarden moet je strijden, risico’s nemen en ook iets opofferen”.
In 2025 woonde Peter Morée in Praag en was hij werkzaam aan de afdeling Kerkgeschiedenis van de Evangelische Theologische Faculteit (ETF) van de Karelsuniversiteit.
[1] bundel over de geschiedenis van de Evangelische Kerk van de Boheemse Broeders tijdens het communisme
[2] een Tsjechisch project voor mondelinge geschiedenis
Česká verze:
Příběh Petera Morée, teologa a pedagoga, který přišel v osmdesátých letech do Československa, aby tu studoval, začal v Holandsku, kde prožíval dětství v prostředí konzervativní protestantské víry a rodinných hodnot zaměřených na vzdělání. Barevnější svět, odlišný od toho vymezeného hranicemi církevních dogmat, poznal už po příchodu na univerzitu v Utrechtu, úplně jiné obzory mu otevřel studijní pobyt v Praze. Nakonec tu zapustil kořeny a našel osobní i profesní ukotvení.
Peter Morée se narodil 28. ledna 1964 v Nizozemsku, v obci Nieuw-Beijerland, která leží asi dvacet kilometrů od Rotterdamu v oblasti ostrovů a řek. Jeho matka Lijnie Moree-Kranenburg byla nejstarší z devíti dětí. Měla pouze základní vzdělání a po sňatku s Peterovým otcem již nikdy nepracovala, zůstala v domácnosti. Otec Leen Morée, narozený v roce 1932, pocházel také z Nieuw-Beijerland, získal jako první z rodiny středoškolské vzdělání a pracoval pro ropnou firmu Shell v Rotterdamu. Rodiče se vzali v roce 1959. Pamětník má staršího bratra Conna, mladšího bratra Johana a sestru Elsbeth. Rodiče kladli velký důraz na hodnotu vzdělání.
Rodinné prostředí Petera Morée bylo silně zemědělské, což bylo dáno i úrodnou oblastí, ve které žili. Za druhé světové války, která v Holandsku začala 10. května 1940, v době takzvané hladové zimy roku 1944, jezdili obyvatelé Rotterdamu do okolních vesnic pro zásoby, aby zmírnili nedostatek potravin ve městě. Peterovu matku tato doba tak ovlivnila, že si zvykla hromadit zásoby pro případ ohrožení i v době míru.
Rodiče i prarodiče z obou stran byli protestanti patřící k poměrně striktní kalvinistické větvi. Dědeček z matčiny strany vedl malou farmu a byl to přísný, ale praktický člověk. Dědeček z otcovy strany byl za války domácí řezník a zedník, ale zemřel, když bylo malému Peterovi osm let. Pamatuje si jeho pohřeb v kostele, což byla jeho první konfrontace se smrtí.
Jeho dětství silně ovlivňovala náboženská pravidla a v některých oblastech života i dogmatismus. V neděli se nepracovalo, patřila spíše formálním návštěvám u prarodičů a hlavně chození do kostela – ty se v obci nacházely tři. Čtyřikrát do roka se v jejich sboru konala Večeře Páně jen asi pro dvacet lidí, jelikož farář vyžadoval splnění přísných kritérií. Pamětníkovi rodiče se jich účastnili, ale on sám říká, že na tento typ víry nemá světlé vzpomínky. Otec také hrál v kostele na varhany, a když nebyl přítomen farář, dlouhá kázání se předčítala.
Vztah rodičů k přísným církevním pravidlům poznamenaly dva zásadní momenty. „První moment, kdy rodiče objevili, že je třeba s tím náboženstvím trochu opatrněji a tolerantněji zacházet, byl, když mně bylo šest let a mladší brácha dostal dětskou obrnu. Samozřejmě očkování existovalo, ale v těchto kruzích se říkalo a částečně dodnes říká, že očkovat se nemá, protože Bůh nás chrání, a pokud onemocníme, tak je to Boží vůle. Opakovaně byly vlny dětské obrny, a když bráchovi byly čtyři roky, nemoc ho zasáhla. „A ten první dopad byl, že nemohl chodit, ochrnul,“ vzpomíná Peter Morée. Tato zkušenost přiměla rodiče přehodnotit své rozhodnutí a nechat děti očkovat, čímž si vysloužili odmítnutí od striktní části sboru. Druhým okamžikem, kdy museli zvažovat svou naprostou oddanost církvi, byla chvíle, kdy starší bratr chtěl odejít z církevního gymnázia na zemědělskou školu. Rodiče to nakonec přijali, protože si uvědomili, že je možné tolerovat i vlastní volbu dětí.
Peter Morée navštěvoval už od čtyř let mateřskou a následně šest let základní školu. Potom studoval, stejně jako většina jeho spolužáků z vesnice, dalších šest let na gymnáziu v Rotterdamu, které patřilo ke školám založeným pro konzervativní protestantské kruhy. Do Rotterdamu dojížděl dvacet kilometrů, v hezkém počasí i na kole. Velkým zážitkem se pro něj stala návštěva Belgie v druhém ročníku gymnázia. „Jeli jsme na tejden na exkurzi a bylo to důležitý. Jednak jsem se tam šíleně zamiloval do jedný holky. Bruggy jsou krásný a v Gentu jsem viděl nádhernej katolickej kostel, taky je odtamtud jeden vlámskej básník. A když jsme o něm dělali prezentaci, tak jsem objevil hudbu Césara Francka,“ vypráví pamětník o tom, co pro něj tento zájezd znamenal.
Během studia na gymnáziu se začal zajímat o mezinárodní politiku, zejména o Blízký východ a východní Evropu. Zapojil se do velkých mírových demonstrací proti umístění amerických raket Pershing v osmdesátých letech, což jeho pravicově smýšlející a konzervativní rodiče nechápali a nesouhlasili s tím. Zlomem pro něj byla také návštěva východního Berlína v pátém ročníku gymnázia, jeho první kontakt se světem za železnou oponou. Město a lidé mu připadali šedí a zcela jiní. Získal tak možnost nahlédnout poprvé do reality totalitního režimu. „Chtěl jsem vědět, proč se to děje, co je za tím, ne jak se to jeví,“ popisuje pamětník, proč měla návštěva Berlína pro něj zásadní význam i do budoucna.
Po maturitě v roce 1982 se nejprve zamýšlel věnovat ekonomii nebo historii. K možnosti studovat teologii ho přivedl na samém konci gymnázia kamarád, který se chystal studovat tento obor, a Peter Morée se tedy zapsal na fakultu v Utrechtu. Doufal, že najde odpovědi na otázky, které si chtěl vyjasnit. Například konzervativní pojetí víry mělo podle něj dvě stránky. „Tam byla poměrně velká jistota. Já jsem nezvážil možnost nevěřit nebo nepatřit k církvi. To není varianta, která se tam vyskytuje, ale ta jistota má snad nějaký pozitivní efekt na vývoj a sebevědomí. To negativní samozřejmě je, že mně se teprve po osmnácti letech, když jsem začal studovat, otevřel svět, kterej jsem vůbec neznal. Najednou jsem se musel vyrovnat s tím, že svět je mnohem barevnější, než jsem si představoval. Já jsem tím byl fascinovaný, ale to je právě ten problém,“ vysvětluje Peter Morée limity přísné protestantské víry.
Během univerzitních studií se začal setkávat s lidmi, kteří měli vazby na východní Evropu, a zapojil se do aktivit Hebe Kohlbrugge, protestantské teoložky a členky holandského odboje.[1] Ta měla od šedesátých let 20. století kontakty s československými evangelickými kruhy, zejména s Josefem Luklem Hromádkou a Jaroslavem Ondrou, tehdy ještě v rámci Křesťanské mírové konference (KMK). Hebe Kohlbrugge spojovala několik skupin lidí, kteří zejména od roku 1968 pomáhali disidentům a členům církve v Československu. „Okupace roku 1968 způsobila i v Holandsku velkou krizi levicové politiky a byla vnímána jako absolutní bezpráví,“ dodává Peter Morée.
Hebe Kohlbrugge se zaměřovala zejména na dodávání informací a podkladů pro konání bytových seminářů, organizovala i návštěvy zahraničních osobností na těchto nelegálních setkáních v bytech československých disidentů. Tyto činnosti také částečně sama financovala. „Měla lidi na transport a udržování kontaktů s disentem – tam jsem patřil já – pak měla lidi na bytové semináře, bylo to oddělené, jezdili jako turisti, někdo třeba věděl, že má otevřít garáž v určitý čas, oni tam vjeli, aby to nebylo vidět,“ vysvětluje pamětník, jak pomoc probíhala. On sám dostal za úkol udržovat kontakty s církevními a disidentskými kruhy a vozit přes hranice tajnou korespondenci. Zároveň mu nabídla roční studijní pobyt v Praze na tehdejší Komenského evangelické bohoslovecké fakultě.
V té době měl za sebou tři ročníky teologické fakulty v Holandsku a musel ještě přesvědčit rodiče. „Oni nikdy nikam nejeli, báli se, že za železnou oponou je už Sibiř, gulagy, a považovali to za extrémně nebezpečné,“ dodává. Začátkem října 1986 přijel sám s kufrem vlakem do Prahy a ubytoval se v Husově bohosloveckém semináři v Jirchářích. Rychle se seznamoval s neoficiálním studentským životem, který byl pro něj zajímavý a osvobozující. Setkával se s klíčovými postavami českého evangelického disentu a prostředí tzv. šedé zóny, jako byli chartista Pavel Hlaváč v Proseči a Pavel Kalus v Prosetíně.
Z profesorů na něj silně zapůsobil církevní historik Amedeo Molnár, který ho inspiroval k jeho budoucí pracovní kariéře a zaměření na českou reformaci. Důležitý byl pro něj také kontakt s kulturními kruhy, například s Jonatanem Tomešem, který jej zasvětil do světa staré hudby. Avšak na fakultě působili také učitelé, kteří nejenom přitakávali normalizačnímu režimu, jako Jaroslav Ondra nebo Milan Opočenský, ale někteří z nich byli i spolupracovníky Státní bezpečnosti (StB). „Nejhorší bylo, že spolupráci s režimem chtěli ospravedlnit teologicky,“ poznamenává k tomu pamětník.
Pobyt v Praze byl pro Petera Morée velmi obohacující hlavně díky mimoškolním setkáním a stal se zásadním zlomem v jeho životě. Poznal, že impulzy pro svobodné diskuze a teologický rozvoj přicházejí spíše od spolužáků a farářů, jimž hrozilo odebrání státního souhlasu, než od oficiálních institucí jako státu, vedení fakulty a oficiálních představitelů tehdejší církve. Po skončení pobytu se mu ani nechtělo vrátit se do Nizozemska.
Silně na něj zapůsobil příběh dvou holandských známých, kteří byli zatčeni v Československu za pašování samizdatových a nepovolených knih. Byli odsouzeni a strávili asi dva měsíce ve vězení, pak je propustili pod tlakem holandského státu. „Ten rozměr vnitřní svobody mne hrozně oslovil, ano, rizika tu jsou, ale stojí to za to, chceme za něco bojovat,“ vysvětluje.
Na jaře 1987 dostal za úkol převézt rukopis nového církevního zpěvníku, který připravoval Jan Keller, evangelický farář z Jimramova, do Holandska k vytištění. Rukopis ukryl do příruční tašky a celníci ho ani při důkladné kontrole v Chebu nenašli. V Holandsku pak zpěvník dostal název, který navrhl Peter Morée, Nová píseň. Výtisky pak dostali jiní spolupracovníci zpět do Československa, kteří pro pašování literatury často používali karavany s dvojitým dnem.
Peter Morée po návratu do Nizozemska zjistil, že pro něj už předchozí holandský život není uspokojující. Protože se naučil česky, v prvních dvou až třech letech po roce 1987 jezdil do Československa velmi často, asi pětkrát ročně. Udržoval kontakty s teology a organizátory bytových seminářů, hlavně s Ladislavem Hejdánkem a Jakubem Schwarzem Trojanem.
V letech 1987 až 1990 studoval Peter Morée teologii a slavistiku se zaměřením na češtinu na univerzitě v Utrechtu a Amsterdamu. Zároveň se zapojil do holandské lidskoprávní iniciativy Informatie over Charta 77, díky svým jazykovým znalostem překládal materiály pro časopis šířící informace o dění v Československu.
V listopadu 1989, kdy probíhala v Praze sametová revoluce, pobýval pamětník v Utrechtu. Spolu s kamarádkou Janou Šilhanovou se rozhodli odjet do Prahy, kam dorazili 23. listopadu 1989. Účastnil se demonstrací na Václavském náměstí a Letné a za silný zážitek považuje modlitbu Václava Malého na obrovském shromáždění na Letné.
Magisterské studium dokončil na jaře 1990 a rozhodl se vrátit do Československa, protože chtěl sledovat probíhající změny po demokratickém převratu. Mezitím se zabýval českými církevními dějinami a připravoval si doktorandský projekt. V rámci přípravy disertační práce o Milíčovi z Kroměříže studoval v letech 1990 až 1991 pomocné historické vědy na Filozofické fakultě Univerzity Karlovy (FF UK). Na dva roky se vrátil do Nizozemska, aby dokončil církevní přípravu, vikariát, a mohl případně působit jako farář – tím se ovšem nestal.
Definitivně se do Prahy přestěhoval v říjnu 1993, na základě nabídky od tehdejšího děkana Evangelické teologické fakulty (ETF) Jakuba Schwarze Trojana. Doktorskou práci obhájil v Amsterdamu v roce 1998. Na fakultě se původně orientoval na dobu středověku, ale později se na popud děkana Martina Prudkého přeorientoval na moderní dějiny, zejména období komunismu. V pozadí mj. stálo to, že k vnitřním zájmům nebo sporům v rámci fakulty mohl mít jako člověk pocházející z nečeského prostředí svobodnější přístup.
Spolu s Pavlem Hlaváčem a dalšími se zaměřili na mapování historie Českobratrské církve evangelické (ČCE) v letech 1948–1989 ve sbornících Cesta církve a také na analýzu vztahu někdejší německé evangelické církve v Československu k nacismu. Klíčovou postavou jeho bádání se stal Josef Lukl Hromádka, jehož politické angažmá a levicové důrazy zkoumal v kontextu českého protestantismu a snah o přežití církve za režimu. Peter Morée zdůrazňuje, že „v Čechách přes dějiny sami sebe vysvětlujeme, dějiny jsou tu živé, pomáhají určit národní identitu“.
Poměry na fakultě po roce 1990 byly ve znamení nástupu bývalých disidentů do vedení, kteří byli před rokem 1989 režimem potlačováni. Peter Morée se domnívá, že ačkoliv děkan Jakub Trojan deklaroval úmysl vést dialog mezi profesory, kteří na fakultě zůstali během normalizace, a nově příchozími, k žádné katarzi nedošlo. Neveřejný postup bez jasného prohlášení podle něj vedl k tomu, že se fakulta s problémem své minulosti a přizpůsobování nevypořádala dodnes.
Peter Morée se také stal zakládajícím členem občanského sdružení Institut Pontes, které se od konce devadesátých let věnuje podpoře nezávislých, zejména církevních iniciativ na Kubě. Své aktivity v oblasti lidských práv vnímá jako pokračování inspirace z českého evangelického prostředí osmdesátých let, které jej naučilo, že: „za některé hodnoty je třeba bojovat, riskovat a něco taky obětovat“, jak říká na závěr svého vyprávění pro Paměť národa.
V roce 2025 žil Peter Morée v Praze a působil na katedře církevních dějin Evangelické teologické fakulty (ETF) Univerzity Karlovy.
[1] Hebe Kohlbrugge. Online. In: Wikipedia: the free encyclopedia. San Francisco (CA): Wikimedia Foundation, 2025, 2024-04-06. Dostupné z: https://cs.wikipedia.org/wiki/Hebe_Kohlbrugge. [cit. 2025-10-12].
© Všechna práva vycházejí z práv projektu: Stories of the 20th Century TV
Příbeh pamětníka v rámci projektu Stories of the 20th Century TV (Klára Jirásková)
Příbeh pamětníka v rámci projektu Stories of the 20th Century TV (Klára Jirásková)