Následující text není historickou studií. Jedná se o převyprávění pamětníkových životních osudů na základě jeho vzpomínek zaznamenaných v rozhovoru. Vyprávění zpracovali externí spolupracovníci Paměti národa. V některých případech jsou při zpracování medailonu využity materiály zpřístupněné Archivem bezpečnostních složek (ABS), Státními okresními archivy (SOA), Národním archivem (NA), či jinými institucemi. Užíváme je pouze jako doplněk pamětníkova svědectví. Citované strany svazků jsou uloženy v sekci Dodatečné materiály.
Pokud máte k textu připomínky nebo jej chcete doplnit, kontaktujte prosím šéfredaktora Paměti národa. (michal.smid@ustrcr.cz)
Nejhorší jsou pestré vrstvy
narozen 26. února 1949 v Novém Jičíně
přestěhoval se s rodiči do Havířova
od šestnácti let pracoval jako závozník
vojna v Přáslavicích u Olomouce
předákem na šachtě Antonín Zápotocký v Havířově, kde pracoval patnáct let
dvě dcery - Eva a Ivana
8. 6. 1985 emigroval do Kanady
po dvou měsících azyl v Holandsku, žil v Rotterdamu
autor tří vydaných románů: Pestré vrstvy, Fotr, Vězení na svobodě
za román Pestré vrstvy obdržel v roce 2000 ocenění „Kniha roku“ Lidových novin
po emigraci se přestěhoval, oženil a žije v Praze
zemřel 17. března 2017
De mijnwerker en schrijver Ivan Landsmann werd op 26 februari 1949 geboren in het Moravische stadje Nový Jičín, in een arme familie van een technisch klerk en een arbeidster. Kort na zijn geboorte verhuisde het gezin om economische redenen naar de grootmoeder in Příbor en later, op zoek naar werk, naar de Noord-Moravische industriestad Havířov – het toenmalige Šumbark. Daar groeide Landsmann samen met zijn twee broers op en werkte hij na zijn militaire dienst op dezelfde plek als zijn vader, die klerk was in de mijn Antonín Zápotocký. Deze mijn heette oorspronkelijk in het Duits Neuschacht (Nieuwe Schacht) en werd in 1950 omgedoopt tot Antonín Zápotocký. Hij ligt in het Karviná-steenkoolgebied en heet tegenwoordig Lazy.
“Ik ben geboren in Nový Jičín, in de regio Valašsko. Er waren discussies dat het eigenlijk Lašsko zou zijn, maar uiteindelijk bleek dat het toch Valašsko is. De Valaši zijn er een beetje trots op dat ze Valaši zijn. Net als Bolek Polívka, die ooit over mij zei dat ik geen Valach ben maar een ‘Valalach’, omdat Nový Jičín precies op de grens ligt. Maar uiteindelijk bleek het toch Valašsko te zijn. Ik ben dus geen Valalach maar een Valach. Valašsko is een ruige streek — de mensen zijn er streng en gehard, maar ook uitstekende kerels.”
“Mijn ouders. Mijn moeder is geboren in Příbor, vlak bij Nový Jičín, mijn vader komt uit Jihlava. Ze hebben elkaar ontmoet in de Tatra-fabriek: mijn vader werkte er als monteur, mijn moeder polijstte auto-onderdelen. Zo leerden ze elkaar kennen en trouwden ze. We woonden toen bij mijn oma in Příbor, ergens anders was geen plek.
Later heeft mijn vader een technische middelbare school afgemaakt en ging hij werken in de mijn Antonín Zápotocký, waar ik later ook werkte. We verhuisden naar Havířov, toen was het nog Šumbark. Daar ging ik naar de eersteklas, en woonde er tot mijn militaire dienst.
Ik heb twee broers. Eén, die ‘geslaagde’, woont in Canada. Het gaat hem heel goed, want hij is een echte kapitalist, een ondernemer. En dan heb ik nog een jongere broer, die nog steeds bij mijn moeder woont. Hij is nog altijd vrijgezel en werkt als metselaar.”
Als jongen begon Landsmann problemen te krijgen op school in Havířov, vooral nadat zijn vader werd gearresteerd wegens een gefingeerde verduistering van technische onderdelen. Zijn vader was oorspronkelijk bankwerker, maar werkte zich op tot hoofdmonteur en had toegang tot alles. Niet alleen door zijn vaders gevangenschap, maar ook door de slechte financiële situatie thuis beleefden Ivan en zijn broers een zware jeugd – zijn moeder had nauwelijks tijd voor de opvoeding.
“Ik was een deugniet als kleine jongen, ze hadden met mij meer dan genoeg problemen, maar ze waren toch lief voor me. Ik was een uitstekende leerling tot in de derde klas, maar toen kwam mijn vader in de problemen in de mijn. Hij werkte daar inmiddels als hoofdmechanicus, net toen er nieuwe combines kwamen. Een groep ingenieurs had zich daar gevormd en stal verchroomde mondstukken. Ik herinner me dat we in ons vijfverdiepingenhuis een klein opslaghok hadden — en dat het daar vol mee lag. Ik begreep er niks van.
Op een dag kwam mijn vader niet thuis, en een paar dagen later kwamen de mannen van de StB, de geheime politie. Als klein jongetje verstopte ik me onder een stoeltje, ik was bang. Ze kwamen binnen, namen mijn vader mee, en doorzochten ons hele appartement en de kelder. Vader kreeg, denk ik, twee jaar. Mij heeft dat erg geraakt en ik hield op met goed leren. Ik verflauwde een beetje.
Mama moest bij de spoorbomen gaan werken; we hadden geen geld, niets. Ze moest baanwachter worden en had geen tijd meer voor ons. We waren drie jongens. Vader nam de schuld op zich — zo was hij, hier heb ik een foto van hem. Hij had ooit in Praag gestudeerd. De anderen kregen niets, maar hij kreeg drie jaar. Toen hij thuiskwam, was hij al vreemd. Hij is later bij ons weggegaan.”
Na de terugkeer uit de gevangenis verliet de vader het gezin. Hij was voor zijn zonen nooit echt een warme ouderfiguur. De oudere, rustigere broer Petr emigreerde later naar Zweden en Canada. Hij werd zonder problemen pionier en voorzitter van een afdelingsraad; Ivan werd pas later en meer uit medelijden opgenomen. De communistische druk voelde hij als kind vooral op school, maar het politieke klimaat drong pas echt tot hem door na zijn vijftiende. Door zijn koppige karakter weigerde hij te oefenen voor de spartakiade en kreeg daardoor slechte cijfers.
Oorspronkelijk wilde hij slager worden, maar ging in de leer als schilder/lakker in de fabriek Nová huť van Klement Gottwald. Drie maanden voor het einde werd hij wegens problemen weggestuurd.
“Wij hadden een meester die een verstokte communist was. Ik was een lastig joch en hij zat me voortdurend op de huid. Dat mijn haar te lang was, hij had altijd wel iets. Dus ging ik naar de kapper en liet me kaalknippen. Ik kwam terug en hij wilde me daarvoor bijna in elkaar slaan. Toen ben ik maar niet meer gekomen en ging werken als hulpkracht bij het ijzertransport.”
Landsmann herinnert zich dat sommige leraren (bijvoorbeeld voormalige kulakken of mensen die concentratiekampen hadden overleefd) veel vriendelijker waren dan communisten. Hij moest bovendien voor zijn jongere broer zorgen, hem naar de kleuterschool brengen, enzovoort. De jongste broer ging naar een speciale school en is tot op heden gesloten en ongehuwd, waarschijnlijk door het gebrek aan ouderlijke aandacht. In zijn jeugd hield Landsmann van trektochten en rockmuziek op de gitaar.
“Toen het jaar 1968 kwam, ben ik uit protest gestopt met werken. Gewoon gestopt. Een jaar lang heb ik niets gedaan, tot ik naar het leger moest. Ik werd een jaar lang achtervolgd, niet alleen ik, maar ook mijn vrienden, met wie ik nog steeds contact heb. Voor onze dienstplicht gingen we op verschillende plekken kamperen. Het stuwmeer, het Mácha-meer, het Orava-stuwmeer. Daar maakten we van alles mee. Zonder geld, maar er waren meisjes. We redden ons altijd wel.
Ik weet nog dat ik toen in Karviná bij een vriend was. Ik sliep thuis al bijna nooit meer, eerder bij vrienden overal. Als jongen had ik overal mogelijkheden. En op een nacht sliep ik bij een vriendin. Nou ja, ik had eigenlijk verkering met een andere, maar ik heb bij die vriendin geslapen omdat ze net een leeg appartement had.
’s Ochtends kwam mijn meisje binnenvliegen en riep: ‘Sta op, het is oorlog!’ Dat er tanks rondreden. Dus we vlogen naar buiten en zagen op de hoofdstraat in Karviná die tanks. We wisten niet wat er gebeurde. Later hoorden we op de radio dat we bezet waren door het Sovjetleger.
En toen hoorden we oproepen om de straatnaamborden van de muren te halen. Dus daar zijn we meteen aan begonnen. En later, uit protest, hebben we ons allemaal kaal laten scheren — we waren met z’n twaalven. We gingen naar een fotograaf, ik schreef een groot bord: ‘Okupanti v republice, naše vlasy do pudlice’ (bezetters in de republiek, ons haar in de prullenbak). De fotograaf heeft ons gratis gefotografeerd. Die foto heb ik ergens nog.
In 1968 wilde ik al vluchten. Die gedachten had ik al lang, maar ik probeerde ook mijn vrienden mee te krijgen. Niemand durfde. Ze waren bang. Dus zei ik: ‘Jongens, wat doen we hier nog? We kunnen gaan, de grenzen staan open. Laten we gaan.’ Alleen durfde ik niet.
Ik kreeg problemen met de autoriteiten. Ze kwamen steeds langs. Soms sliep ik weer eens thuis. Mijn broer kwam in 1968 net terug van het leger. En toen stonden er ineens politiemannen voor de deur. Ik lag thuis te slapen, mijn moeder was weg, en mijn broer ontkende dat ik er was.
Toen hebben ze ons achternagezeten, we waren met ongeveer vijf. Ik wil de namen van die jongens niet noemen, want dat zou één van hen ernstig schaden. Hij heeft tegenwoordig een zeer hoge functie. Ze hebben ons naar de politie gebracht en ondervraagd. We waren zulke deugnieten. Ken je die automaten waar vroeger sigaretten in zaten? Die gingen wij openbreken. Ik gooide er een baksteen tegenaan en omdat ik lange vingers had, viste ik de pakjes eruit, stopte ze onder mijn jas en dan renden we weg.
En toen ging ik naar het leger. Daar werd ik pas voor de rechter gedaagd. Ik heb een voorwaardelijke straf gekregen — volgens mij acht maanden met een proeftijd van twee jaar. Voor ‘“asociaal parasitisme”. Van die diefstallen zijn ze nooit achter gekomen.”
Na zijn periode van verzet tegen de bezetting ging hij in militaire dienst in Přáslavice bij Olomouc, waar hij bij de tanktroepen diende. Hij was daar echter niet erg tevreden vanwege het gedrag van de commandanten. Later werd hij overgeplaatst naar de luchtafweerartillerie, en na een jaar werd hij – dankzij zijn populariteit en zijn vermogen met mensen om te gaan – geselecteerd voor de onderofficiersschool in Uherské Hradiště, waar hij commandant werd van een luchtafweergroep. Daarna werd hij onderofficier en korporaal.
Alle problemen wist hij op te lossen dankzij kapitein Urbášek, die bovendien geen lid van de Communistische Partij was, maar slechts kandidaat. Deze hielp hem onder meer vrije tijd te krijgen door hem nep-opdrachten toe te spelen.
Hij werd meerdere keren opgesloten, onder andere omdat hij tijdens een oefening luid riep dat “de communisten hoeren zijn”, of omdat hij actieve militairen beledigde. In de gevangenis heerste zelfs een vrijere en rustiger sfeer dan tijdens de dagelijkse training.
Na zijn diensttijd ging hij werken in de mijn Antonín Zápotocký, waar hij later vijftien jaar bleef.
“Toen mijn militaire dienst erop zat, ben ik bij ČSAD als bijrijder op gasflessen gaan werken. Dat heb ik drie maanden gedaan, en toen zei ik tegen mezelf dat ik voor een jaartje als vakantiekracht naar de mijn zou gaan. Dat zou ik wel volhouden. Daar heb ik mijn meisje leren kennen – mijn latere vrouw. En al snel, na nog geen jaar, moest ik trouwen. We hadden geen woning, dus woonden we onderhuur bij een of andere vrouw in een dorpje Dárkov, totdat ik een eigen woning kreeg. Ik zei tegen mezelf dat ik geld nodig had, dus ik zou de mijn niet verlaten. Eerst werkte ik bij de geologische dienst bij de boorinstallaties. Daar was weinig geld, dus wilde ik naar het front om te gaan hakken. Dat ging me best goed af, en na twee jaar was ik al ploegbaas – ongelooflijk snel. Ik heb het daar vijftien jaar volgehouden.”
Met zijn vrouw verhuisde hij naar Karviná, maar hij werkte in Havířov. Voor die tijd verdiende hij behoorlijk veel geld – meer dan vijfduizend kronen per maand, terwijl zijn vrouw twaalfhonderd verdiende bij de PNS (de staatsonderneming voor de distributie van kranten en tijdschriften). Hij had een luxewoning, meerdere pakken en een auto, maar het grootste deel van zijn geld gaf hij uit aan zijn gezin. Wanneer ze tijd hadden, gingen ze met het gezin de bergen in.
Zijn dochters Eva (1972) en Ivona (1976) wonen tegenwoordig in het buitenland: Eva in Zwitserland en Ivona op Tenerife. Onlangs werd hij grootvader.
Hij werkte in drie ploegen, zorgde voor de kinderen en probeerde ze goed op te voeden. Naar Polen, dat vlakbij ligt, reden ze vaak om te winkelen, net als naar Ostrava. Op zijn werk had hij geluk met zijn ploeg; hij had goed contact met andere mijnwerkers. Het internationale karakter van de verschillende mijnwerkersploegen doet hem denken aan de situatie in Nederland, waar hij later naartoe emigreerde. Niemand had er destijds problemen mee dat er bijvoorbeeld Polen in de mijnen werkten.
“Ik heb zelf nooit problemen gehad in de mijn, ik had de beste ploeg. Wij waren zo goed op elkaar ingespeeld, dat had bijna niemand. Ik kon goed met de jongens opschieten; ze luisterden naar me en ik zat ze niet achterna. Toch moest ik vaak ‘op het matje’ komen bij de directeur – de kameraad-kameraad. Maar ik noemde hem nooit kameraad, altijd meneer. Dat vonden ze niet leuk, maar ze konden weinig doen, want ze wisten dat ik een harde werker was. Ze konden me nergens kwijt, dus moesten ze het maar slikken. Soms pakten ze me tien of twintig procent van mijn loon af, wat vrij veel was. Soms wel voor drie maanden.
We werkten op een afdeling. We waren drie ploegen die elkaar afwisselden: ochtend, middag, nacht. We waren met vijf man in de ploeg, plus transportmedewerkers tijdens de ochtenddienst. In de middag- en nachtdienst waren we met z’n vijven alleen.
En later, toen mijn broer mij drie, vier of zelfs meer uitnodigingen had gestuurd — die natuurlijk allemaal waren afgewezen — had ik juist promotie moeten krijgen tot hoofdvoorman. Maar dat wilde ik niet meer. Ik had zelfs geweigerd ploegbaas te worden voor de dienst. Ik had er gewoon genoeg van.
Ik was vastbesloten om naar Joegoslavië te gaan, waar ik na veertien jaar recht op had — recht op een gezondheidsverlof. Dat zouden ze me moeten geven. Het maakte me al niet meer uit; daar zou ik wel ontsnappen, op de een of andere manier.
Maar bij die laatste uitnodiging, die vijfde of zo, vroeg ik het toch opnieuw aan. Ik rekende nergens op. In de commissie zat een van mijn tegenstanders, een zekere Závorka, en hij wees het altijd af. Een Valach, maar o zo fanatiek communist. Een of andere voorzitter - geen partijvoorzitter, maar zoiets — een loopjongen.
Uiteindelijk liep het zo dat ze me tóch lieten gaan, omdat ze wisten dat ik daar al vijftien jaar werkte. ‘Wat moeten we nog met hem?’ Ze zouden me bijna een gedeeltelijk pensioen moeten betalen, en aan de voorkant van de mijn zou ik niet meer staan. Dus lieten ze me gaan. Zo legde iemand het me later uit. En zo hebben ze me uiteindelijk laten vertrekken naar Canada.”
“Als ploegbaas had ik de taak om de groep te leiden, een soort plan te schrijven van wat er die dag moest gebeuren – bijvoorbeeld opschrijven hoeveel gaten we voor het schieten moesten boren, en zo verder. Het was steeds dezelfde molen. Eerst werd er geboord, dan – als er geschoten was – werd alles er uitgehaald, ingebouwd, weer geboord, weer er uitgehaald, weer ingebouwd. Het was een voortdurende cyclus, afhankelijk van hoe het ging. Je stond nooit stil. Het hing vooral van de mijn af: hoe goed je met de jongens kon samenwerken. Als ze niet op elkaar ingespeeld waren, dan ging het gewoon niet. Maar ik had een ploeg waarbij ik niks hoefde te zeggen. De jongens wisten al precies wat ze moesten doen. De één haalde de slangen, de ander de pneumatische hamer, weer een ander sleepte materiaal aan. En ik werkte natuurlijk met hen mee – ook al had ik dat niet per se hoeven doen.
En de mijnopzichter? Dat hing ervan af welke je had…Meestal waren het communisten. Sommigen waren, met alle respect, eikels, en met hen had ik problemen. Ik ging niet met hen in discussie. En met mij wisten ze ook geen raad.
… Niemand in mijn ploeg zat bij de partij. Ze probeerden me steeds jongens toe te wijzen, zodat ik ‘iemand’ zou aannemen. Eerst vroeg ik altijd: ‘Ben je communist?’ – ‘Kandidaat-lid.’ – ‘Ga maar, ga maar weg.’ Dan vroegen ze: ‘Waarom wil je hem niet?’ – ‘Ik wil hem gewoon niet.’ Dus kreeg ik jongens die anti waren. Allemaal.”
Door het voortdurend uiten van zijn anticommunistische opvattingen had hij regelmatig problemen; vooral de communist Závorka nam het hem kwalijk en wreekte zich op hem. Op het werk moesten ze vooral voor zichzelf zorgen. De versnaperingen waren niet van goede kwaliteit, de koffie was zuur, en daarom namen ze eten van thuis mee. Het werkpak werd indien nodig voor hen gewisseld. Ze namen water mee of dronken water uit de leiding. Ze waren aan zwaar werk gewend, dus deze omstandigheden vormden voor hen geen grote problemen. Landsmann werkte met zijn ploeg bij het geologisch onderzoek en bij de galerijverbreding. In de dwarsgangen is het meestal koud, maar in het winningsgebied juist heet—zo heet dat een mijnwerker zelfs na een paar biertjes snel weer nuchter wordt zodra hij begint te werken.
Na het werk gingen ze vaak bier drinken in het cultureel centrum, maar verder onderhielden ze geen sociale contacten. Alcohol was voor de mijnwerkers geen grote belasting; Landsmann moest wel op zijn drinken letten, omdat hij als ploegbaas verantwoordelijk was. Soms werkten ze een hele week achter elkaar vanwege communistische recordacties. De vrouwen wedijverden onderling wie het mooiste appartement had, en waren aan deze manier van leven gewend. Ze leefden min of meer onafhankelijk. Slechts één keer gingen hij en zijn vrouw op vakantie, naar Bulgarije.
“Angst heb ik daar nooit gehad. Een keer reden we met de combine recht een zogenaamd ‘mořské oko’ in, een soort ondergrondse holte met agressief zout water. Het water heeft me toen weggeslagen. Die mořská oka zijn cavernes, van die ondergrondse holtes. In de grond zijn plekken, een soort grotten met zoute, agressieve, bijna zeewaterachtige vloeistof. Niemand weet precies waar ze zitten. Wij werkten bij het geologisch onderzoek om dat juist uit te zoeken. Je merkt het eraan dat het begint door te sijpelen. Dat heet štus. Eerst gaat het langzaam, dan wordt het groter en groter, en ineens barst het open. Water is erger dan vuur. En zo is het mij overkomen. Het heeft de hele dwarsgang totaal onder water gezet – soms overstroomt het een hele schacht, afhankelijk van hoe groot dat mořské oko is. Bij ons liep alles vol – we werkten op het negende, achtste niveau. Alles…
Niemand is iets overkomen, alleen ik had het even moeilijk. Ik had de jongens weggestuurd. Maar goed, ik was alleen wat gehavend. We werden ook wel eens bedolven. Een paar keer had ik van die ongelukken – dat hoort erbij. Bijna al mijn vingers zijn eens gebroken geweest…
Dat is bijvoorbeeld een laag, een steenkoollaag. Wij volgden de laag tijdens het drijven, op het spoor van de steenkool, en dat moesten we soms echt zoeken, want het kon zomaar verdwijnen. De steenkool loopt bijvoorbeeld horizontaal en ineens zit er een verzakking van drie meter naar beneden. Dan moesten we terug en een hellingbaan maken om weer in die laag te kunnen komen. Tussenin zaten er van die open ruimtes met de zogenaamde bonte lagen.
Dat is speksteenachtig gesteente, verraderlijk spul. Het is groen, rood, wit – allerlei kleuren. Het ziet er mooi uit, maar het is verraderlijk, want het waarschuwt niet. De normale bovenlaag – leisteen, zandsteen, conglomeraat en andere gesteenten – geeft tenminste een waarschuwing: eerst begint het licht te stuiven, en dan moet je meteen weg. Want even later stort het neer. Maar die bonte lagen doen helemaal niets. Je kunt het niet lezen. En dan stort het ineens in. En daaronder moesten wij werken. Eén of twee mannen hielden de wacht en ik moest altijd als eerste naar binnen. Ik stuur de jongens toch niet vooruit. Ik was verantwoordelijk voor ze.
Het ergst waren ook de zogeheten ‘klobouky’. Zo noemden wij dat. Ze zaten in het leisteendak. Ik kende ze inmiddels goed: het waren versteende boomstammen het binnenste was vergaan en de schors tot steenkool was geworden. Het leek stevig gesteente, maar één tik was genoeg en zo’n blok viel omlaag als een tafelblad. Soms stortten ze zelfs vanzelf in – ze hebben al heel wat mijnwerkers gedood. Maar ik wist precies waar ze konden zitten. Dat is routine. Je moet voortdurend op je hoede zijn; een flegmatieke houding kan je daar niet hebben
Na het schieten moest ík altijd als eerste naar binnen, de jongens liet ik er niet in. Na een ontploffing is alles los, open ruimte, en boven je hangt een dak vol stenen. Dan moest ik met een oude boor langs de wanden gaan en alles controleren. Daarna werden er rails uitgeschoven en legden we er balken op, zodat het dak tenminste enigszins werd ondersteund. Pas toen volgde het overige werk.
We boorden drie staalkabels – wij noemden dat ´klamoro´, een soort kabelschraper. Een grote metalen schep die heen en weer werd getrokken en het puin via een rol naar buiten haalde. Als alles was uitgegraven, bouwden we het in de houten steunpalen, de zogeheten ‚hajcmani‘. En zo ging dat telkens opnieuw. … De mijn had negen niveaus en lag zo’n achthonderd meter diep.”
Hij had met zijn vrouw afgesproken dat zij later met de kinderen achter hem aan zou emigreren, maar dat is niet gelukt. Alle mijnwerkers wisten dat Landsmann wilde emigreren, maar niemand heeft hem verraden. Hij had destijds weinig tijd om de normalisatiecultuur waar te nemen; hij keek niet eens televisie en was al blij als hij tijd had om naar de bergen te gaan.
Ondanks de voortdurende conflicten had hij geluk dat zelfs zijn meerdere hem steunde, omdat ze wisten dat hij een goede ploegbaas was en goed werkte. Ze probeerden hem over te halen lid te worden van de Communistische Partij, maar dat wees hij af. Afgezien van zijn kapotte handen heeft hij geen grote gezondheidsproblemen. Tegenwoordig keert hij een paar keer per jaar vanuit Praag terug naar Ostrava, maar hij onderhoudt geen vaste contacten meer met zijn vroegere vrienden.
„Ik ga daar af en toe nog heen. Altijd twee keer per jaar op bezoek. Naar mijn moeder, en ook naar een paar vrienden, maar die vrienden met wie ik in de mijn werkte, die zie ik helemaal niet meer. Ik heb naar hen gezocht, bijvoorbeeld naar Tonda uit Bohumín. Ik weet niet wat er met hen gebeurd is. Maar ik heb gehoord dat die andere vrienden, ook uit Havířov, die ook in de mijn werkten maar niet in mijn ploeg, dat van hen er al ongeveer de helft overleden is. Laatst was ik daar en een vriend zei tegen me dat Vlastík overleden is. Net zo oud als ik.”
Hij wilde altijd al emigreren, wat hem pas halverwege de jaren tachtig lukte dankzij een uitnodiging van zijn broer Petr, die in Canada woonde. Maar zijn broer dwong hem al na nog geen twee maanden om terug te keren naar Europa, hoewel hij voor een laag loon in diens werkplaats werkte. Voor hem was een terugkeer naar het communistische Tsjechoslowakije echter onaanvaardbaar, en daarom probeerde hij politiek asiel te krijgen in Nederland. Later werd hij bij het regelen van de basisdocumenten en de mogelijkheden om een bestaan op te bouwen vriendelijk geholpen door een andere Tsjechische emigrant – de zanger en liedjesschrijver Jaroslav Hutka, die begin jaren tachtig met geweld uit Tsjecho-Slowakije was verdreven.
Hij wilde altijd al emigreren, wat hem pas halverwege de jaren tachtig lukte dankzij een uitnodiging van zijn broer Petr, die in Canada woonde. Maar zijn broer dwong hem al na nog geen twee maanden om terug te keren naar Europa, hoewel hij voor een laag loon in diens werkplaats werkte. Voor hem was een terugkeer naar het communistische Tsjechoslowakije echter onaanvaardbaar, en daarom probeerde hij politiek asiel te krijgen in Nederland. Later werd hij bij het regelen van de basisdocumenten en de mogelijkheden om een bestaan op te bouwen vriendelijk geholpen door een andere Tsjechische emigrant – de zanger en liedjesschrijver Jaroslav Hutka, die begin jaren tachtig met geweld uit Tsjecho-Slowakije was verdreven.
“Ik ging rechtstreeks op uitnodiging naar Toronto. Die uitnodiging was goedgekeurd. Ik vloog vanaf het vliegveld hier, vanuit Praag – Ruzyně – naar Toronto. Ze wachtten al op me. Ik bleef daar twee maanden, en daarna moest ik weer weg. Ik weet niet waarom, het is nooit opgehelderd. Helaas. Mijn broer zei me gewoon dat het niet kon, dat hij met de mensen van de immigratiedienst had gesproken en dat ik ofwel uit een ander land asiel moest aanvragen, ofwel uit Tsjechoslowakije. Dus vroeg ik asiel aan in Nederland, waar ze me prompt voor een spion aanzagen. ‘Waarom heb je dat niet daar aangevraagd?’ …
In Canada was het prachtig. We gingen een week op vakantie aan het Lucky Lake, een meer dat ongeveer zo groot was als de halve Tsjechoslowakije. We waren er een week lang aan het vissen. Verder werkte ik vanaf de eerste dag bij hem in de werkplaats. Mijn broer was in ’69 naar Zweden gevlucht, bleef daar zo’n tien jaar en ging daarna naar Canada. In Zweden werkte hij als automonteur en begon hij zijn eigen Volvobedrijf. En een paar jaar later verhuisde hij naar Victoria, waar hij een prachtig huis heeft.
… Ik ben niet gevlucht — hij heeft me bedonderd en eruit gegooid. Hij zei dat ik terug moest. Maar ik wilde voor geen goud terug, ook al lieten ze me zeven dagen lang op het vliegveld bij de deur zitten. Ik zat daar en was doodsbang. Ik dacht steeds dat ik gedeporteerd zou worden.
Toen kreeg ik een tolk – een Poolse vrouw, want ik sprak helemaal geen Engels. En zij waarschuwde me dat ik moest liegen. Dat ik niet moest zeggen dat ik voor werk kwam, maar om politieke redenen. En toen kreeg ik zomaar een papiertje – een éénjarig verblijfsvergunningetje. Ze zeiden niet: ga daarheen, meld je daar. Ze gaven het me gewoon op het vliegveld: “De bus gaat zo, meld je op dit en dit adres, daar zorgen ze voor je. “
Jaroslav Hutka was ook degene die hem overhaalde zijn ervaringen op te schrijven als een vorm van therapie. Aanvankelijk dacht Hutka dat het schrijven Landsmann zou helpen om van stress en depressies af te komen, maar toen hij Landsmanns aantekeningen las, ontdekte hij dat het om een volwaardig literair werk ging dat het waard was om uitgegeven te worden. Zijn eerste roman Pestré vrstvy (die na de Tsjechische uitgave in 1999 bij uitgeverij Torst de lezersprijs van Lidové noviny kreeg, onder de naam Boek van het Jaar) ontstond door twee teksten samen te voegen en werd meteen na publicatie een literaire sensatie – niet alleen vanwege de indringende beschrijving van het mijnwerkersmilieu, maar ook vanwege de ongewone taal.
Hutka probeerde bovendien een uitgave te regelen bij 68 Publishers van Josef Škvorecký in Canada. Hoewel dat uiteindelijk niet lukte, hielp Škvorecký Landsmann toch – zij het indirect – om in Nederland, waar Landsmann woonde, een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd en later ook het staatsburgerschap te krijgen.
Na zijn terugkeer naar Europa sprak Landsmann geen enkele vreemde taal, maar hij was overweldigd door het andere klimaat, waaraan hij in het toenmalige Tsjechoslowakije niet gewend was.
“Ik was er helemaal van onder de indruk: vrijheid. Daar kon je die vrijheid echt voelen. Voor mij was de taal echter een probleem. Het eerste wat ik deed, was op zoek gaan naar Tsjechische cafés, want mijn broer in Canada had me verteld dat er in Nederland, voor het geval dat, genoeg zouden zijn. Maar er was er geen één te vinden; ik zocht in de gids, overal niets. Alleen een paar Joegoslavische cafés…
Op een dag zat ik in een café en bladerde door die gids. Ik had een woordenboek bij me en probeerde de ober duidelijk te maken dat ik een Tsjechisch café zocht. Ik zat aan de bar toen er ineens een man naast me kwam zitten die in gebroken Tsjechisch tegen me begon te praten. Het was haast alsof het uit een sprookje kwam, hè? Hij vertelde dat hij hier tijdens de oorlog krijgsgevangene was geweest, hier een tijd had gewerkt en daardoor nog een beetje Tsjechisch sprak. Hij zei dat hij in Rotterdam iemand kende die Hutka heette — een zanger — en ook Jana Beranová, een schrijfster. Ik had alleen vaag van een Hutka gehoord. Hij hielp me het telefoonnummer te vinden, en dus ging ik van Amsterdam naar Rotterdam.
Ik vond zijn adres, belde aan, maar niemand deed open. Daarna ging ik op zoek naar Jana Beranová. Ook daar belde ik aan, maar weer geen reactie. Later hoorde ik van een Nederlandse vrouw dat Beranová op vakantie was in Spanje en pas over twee maanden terug zou komen. Over Jaroslav Hutka wist ik verder niets.
Ik had nog wat geld, zo’n twaalfhonderd dollar, die ik bij mijn broer had verdiend. Hij betaalde me vijftig per dag, als dagloner. Daarmee vond ik een hotel om te overnachten. Toen het geld op was, bleef er niets anders over dan in parken te slapen, in het graan, waar het maar kon. En telkens weer ging ik bij Hutka aanbellen. Het duurde anderhalve maand, bijna twee, voordat ik hem eindelijk thuis trof. Ik belde aan, en dit keer deed hij open. Zo werden we goede vrienden.
Hij was het echt. Ik had zulke spanningen, geen wonder — ik had al van alles meegemaakt. Hij zei tegen me: ‘Ivan, luister. Het beste medicijn is schrijven. Schrijf, houd een dagboek bij. Dat helpt.’ Dus begon ik een dagboek te schrijven en liet hem later lezen wat ik had. Hij zei: ‘Dit is geen dagboek, dit is een boek. Ga door.’ Zo begon ik aan Pestré vrstvy. Later vroeg ik Jarek of ik ook over de mijnen moest schrijven. Hij zei: ‘Natuurlijk, schrijf.’ Zo zijn Pestré vrstvy ontstaan. Eigenlijk hadden het twee boeken moeten worden, maar we hebben ze samengevoegd.”
“We stuurden het manuscript naar Škvorecký, en dat hielp me precies om politiek asiel te krijgen. Ik stond onder politietoezicht en had een boekje waarmee ik regelmatig bij de politie moest komen. Škvorecký schreef een brief waarin stond dat ik schrijver ben. Samen met Jarek regelden we dat ik op basis daarvan een status kreeg. Na tien jaar had ik recht op het Nederlandse staatsburgerschap. Tot op de dag van vandaag ben ik Nederlander, want het Tsjechische staatsburgerschap kreeg ik niet terug.
Škvorecký heeft het boek zelf niet uitgegeven, maar zijn brief hielp enorm. Het was ook een beetje vreemd geregeld. Jarek Hutka had het hier voor mij in gang gezet en toen hoorde Stoilov van uitgeverij Torst ervan. Hij wilde mijn boeken uitgeven. Ik reisde ondertussen al heen en weer, dus hij stuurde de contracten naar Nederland, met de belofte al mijn drie boeken uit te geven. Alleen had ik die contracten daar getekend — en dat was slecht geregeld, want er had moeten staan dat ik recht had op inkomsten van elk boek, van elke druk.
Hij heeft de boeken wel uitgebracht; Pestré vrstvy stuurde hij zelfs naar Nederland. Maar de contracten waren zo slecht dat ik er bijna niets aan had: tienduizend kronen, maar verder geen procenten, helemaal niets. Hij heeft me gewoon opgelicht… Het boek werd ‘Boek van het Jaar’, iets waar ik totaal niet op had gerekend. Echt een schandaal. Mijn moeder heeft het niet eens gelezen.”
In Nederland leefde hij van een uitkering en leerde hij de taal moeizaam en geleidelijk. Hij woonde enige tijd in een pension en in Hutka’s atelier. Het was niet gemakkelijk om werk te vinden, maar later begon hij met hout te werken in een kunstatelier, waar hij tien jaar verbleef. Ook door zijn problemen met zijn handen vond hij moeilijk werk; sinds die tijd is hij drie keer geopereerd. Dankzij zijn verzorgster Paula Stan kreeg hij een baan in een kunstatelier in de enige historische wijk van Rotterdam die tijdens de oorlog niet was gebombardeerd. Later verkreeg hij de Nederlandse staatsburgerschap, wat hem ook recht gaf op een werkloosheidsuitkering. Deze nationaliteit heeft hij nog steeds, omdat de Tsjechische autoriteiten hem tot op heden niet opnieuw het Tsjechische staatsburgerschap hebben kunnen geven, waarvan hij na zijn emigratie was beroofd. De Nederlanders hebben hem altijd zeer welwillend behandeld. “Jarek is meteen na de revolutie hierheen teruggegaan. En ik begon het jammer te vinden; ik zei ook tegen mezelf dat ik hier niet wilde sterven zoals Jan Amos Komenský. Ik had hier niemand. Het Nederlands hing me een beetje de keel uit. Ik dacht: nou en? Wat kunnen ze me daar doen? Ik ga gewoon terug. Vlastík Třešňák en Jarek Hutka haalden me over: kom, kom terug.Ik had een huis gekocht - je zou bij mij als huismeester kunnen werken ergens in Kamenice. En toen begon een vrouw me naar Nederland te schrijven, dat ze mijn boek had gelezen. Ze heette Lucie Váchová, ze had een broer in Utrecht en reisde daar vaak heen. Dus we begonnen elkaar te schrijven, en op een dag moest ze weer naar haar broer en zei dat ze me graag wilde ontmoeten, me wilde zien, dus kwam ze langs. En het eindigde ermee dat ik uiteindelijk naar haar in Praag ben verhuisd, naar deze woning, zeven jaar geleden. Dus woon ik sinds 2000 hier.”
Ook zijn ex-vrouw kwam naar Nederland om hem op te zoeken, maar zodra zij ontdekte dat hij geen rijke emigrant was, vertrok zij weer. Met zijn kinderen heeft hij tot op heden contact. In Nederland vond hij echter bijna geen vrienden. Naar Tsjechië keerde hij terug vanwege Lucie Váchová; hij had heimwee en wilde weer terug. Na zijn terugkeer verbeterde Landsmanns financiële situatie zich niet: het duurde lang voordat hij een pensioen kreeg voor zijn werk in de mijnen. Een tijdlang werkte hij in een goedkope boekenwinkel, waar hij werd ontslagen, daarna als beveiliger in een hotel en in een woongebouw waar Hana Zagorová woonde. Alles was onwaardig en overal werd hij slecht behandeld. Tegenwoordig ontvangt hij een pensioen van 4085 kronen en schrijft hij bijdragen voor tijdschriften. Hij kan rondkomen dankzij de steun van zijn vrouw en vrienden.
Naast Pestré vrstvy (vrij vertaald- Bonte lagen) publiceerde hij nog twee boeken: Fotr (vrij vertaald – De ouwe) en Vězení na svobodě (vrij vertaald - Gevangenis in vrijheid), die door de uitgeverij Torst werden uitgebracht op basis van een zeer nadelige overeenkomst. Pestré vrstvy zal mogelijk in het Nederlands worden vertaald, maar in andere talen is het nog niet verschenen. De uitgeverij weigerde zijn verdere manuscripten uit te geven. In 2007 zou er in Ostrava een nieuw boek van Ivan Landsmann verschijnen, getiteld Šestý smysl (vrij vertaald - Het zesde zintuig), en hij was van plan een nieuwe roman te schrijven, Smetanová revoluce (vrij vertaald - De roomrevolutie).
In 2007 trouwde Ivan Landsmann uiteindelijk met Lucie Váchová en woonde hij in Praag-Dejvice. Hij overleed op 17 maart 2017, op 68-jarige leeftijd.
© Všechna práva vycházejí z práv projektu: Memory of nations (in co-production with Czech television)
Příbeh pamětníka v rámci projektu Memory of nations (in co-production with Czech television) (Vít Pokorný)
Příbeh pamětníka v rámci projektu Memory of nations (in co-production with Czech television) (Vít Pokorný)
Příbeh pamětníka v rámci projektu Stories of 20th Century (Lenka Kopřivová)